Contentverzamelaar

EU-Hof kritisch over onafhankelijkheid Poolse tuchtkamer van het Hooggerechtshof
Het EU-Hof beantwoordt voor het eerst prejudiciële vragen van de Poolse rechters over de onafhankelijkheid van zijn rechterlijke macht. Deze verwijzende rechters moeten nu zelf nagaan of door de Poolse regering recentelijk ingestelde tuchtkamer van het Poolse Hooggerechtshof voldoet aan de criteria van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals vereist op grond van het Unierecht. Het EU-Hof geeft de rechters de criteria voor de beoordeling daarvan. Daarbij moeten zij alle elementen uit de relevante wetgeving en de omstandigheden waarin deze tot stand is gekomen en het gecombineerde effect daarvan op de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke instantie beoordelen.

Het gaat om de uitspraak van 19 november van de grote kamer van het EU-Hof in een versnelde procedure  in de gevoegde zaken C-585/18, C-624/18 en C-625/18, Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy .

Aanleiding voor deze uitspraak zijn zaken van drie Poolse rechters die betoogden dat hun vervroegde pensionering op grond van de nieuwe wet over de Sąd Najwyższy uit 2017, een schending opleverde van het Unierechtelijke verbod op leeftijdsdiscriminatie in arbeidsverhoudingen. Hoewel een recente wetswijziging ervoor zorgde dat deze rechters hun ambt behielden of weer ging uitoefenen, achten de verwijzende rechters het nog steeds noodzakelijk om een oplossing te vinden voor de achterliggende problemen van procedurele aard. Normaal gesproken vallen dit soort geschillen sinds de nieuwe wet  onder de bevoegdheid van de daarbij nieuw ingestelde tuchtkamer. Volgens de verwijzende rechters bestaan er echter ernstige twijfels over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze instantie, met name gelet op de omstandigheden waaronder de nieuwe rechters van deze tuchtkamer worden benoemd. De centrale vraag van de rechters is of de nieuwe tuchtkamer voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zoals door bepalingen van Unierecht daaraan worden gesteld. En indien dat niet het geval is, of zij de nationale bepalingen op grond waarvan de bevoegdheid om van dergelijke zaken kennis te nemen is voorbehouden aan deze rechterlijke kamer, buiten toepassing moeten laten.

Het EU-Hof oordeelt dat het grondrecht van effectieve rechtsbescherming zoals gewaarborgd door artikel 47 van het EU-Handvest en i.c. de richtlijn gelijke behandeling (2000/78) zich ertegen verzetten dat geschillen over de toepassing van het Unierecht onder de uitsluitende bevoegdheid vallen van een instantie die geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht vormt. Volgens het EU-Hof is deze rechtsbescherming in het geding wanneer er legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of deze instantie gevoelig is voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht. Het EU-Hof wijst dan met name op de voorwaarden waaronder de betrokken instantie is ingesteld, de kenmerkende eigenschappen ervan en de manier waarop de leden ervan zijn benoemd. Deze aspecten kunnen ertoe leiden dat een instantie niet de indruk geeft onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving juist moet wekken.

Het EU-Hof benadrukt dat de aard van de prejudiciële procedure hem niet de bevoegdheid verleent om de bepalingen van Unierecht op een concreet geval toe te passen. Hij kan alleen uitspraak doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen van de Unie.  Hij kan de verwijzende rechters wel van criteria voorzien voor de beoordeling daarvan. De verwijzende Poolse rechter dient dan ook te beoordelen of de tuchtkamer van het Poolse Hooggerechtshof voldoet aan de door het EU-Hof opgestelde criteria. Als dit niet zo is, moet het geschil worden beslecht door een rechtelijke instantie die wel voldoet aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Het EU-Hof wijst in dat verband een aantal specifieke factoren die de verwijzende rechter kan onderzoeken om te beoordelen of de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy voldoende waarborgen voor onafhankelijkheid beidt. Zo geeft ze aan dat het in de specifieke context van de vaststelling van de – heftig bestreden – bepalingen van de nieuwe wet inzake de Sąd Najwyższy die het EU-Hof eerder in strijd met het Unierecht verklaarde , relevant is dat de tuchtkamer exclusief bevoegd is om kennis te nemen van uit deze wet voortvloeiende geschillen over de pensionering van rechters, dat deze kamer uitsluitend moet worden samengesteld uit nieuw benoemde rechters, en dat deze kamer over een bijzonder grote mate van autonomie lijkt te beschikken. Elk van de onderzochte elementen afzonderlijk hoeven niet noodzakelijkerwijs te leiden tot twijfel over de onafhankelijkheid van een rechterlijke instantie, maar de combinatie ervan kan wel degelijk dat effect hebben.