EU-Hof: nationale procesregels mogen rechter niet beletten om uitspraak te doen over het bestaan van discriminatie op grond van ras of etniciteit

Contentverzamelaar

EU-Hof: nationale procesregels mogen rechter niet beletten om uitspraak te doen over het bestaan van discriminatie op grond van ras of etniciteit
Een rechter die moet oordelen over een beroep tot schadevergoeding wegens discriminatie op grond van ras of etniciteit moet het bestaan van dergelijke discriminatie kunnen onderzoeken. De nationale rechter moet een dergelijk onderzoek ook kunnen verrichten wanneer degene die heeft gediscrimineerd wel instemt met het betalen van schadevergoeding, maar daarbij de discriminatie op zichzelf niet erkend. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Zweedse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 15 april 2021 in de zaak C-30/19, Braathens .

Achtergrond

In richtlijn 2000/43 (hierna: EU-Rasrichtlijn) is een kader neergelegd voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming, zodat in alle EU-lidstaten het beginsel van gelijke behandeling wordt nageleefd. Een ieder die vanwege zijn ras of etnische afstamming ongelijk wordt behandeld en binnen de werkingssfeer van de EU-Rasrichtlijn valt moet toegang kunnen krijgen tot gerechtelijke en/of administratieve procedures (artikel 7, lid 1, EU-Rasrichtlijn). Artikel 15 van de EU-Rasrichtlijn bepaalt dat de lidstaten de sancties vaststellen voor overtredingen van de in de Rasrichtlijn neergelegde verboden.

In 2015 werd een in Zweden wonende passagier van Chileense afkomst tijdens een door de luchtvaartmaatschappij Braathens uitgevoerde vlucht onderworpen aan een extra veiligheidscontrole. De passagier was van mening dat hij aan een extra veiligheidscontrole was onderworpen vanwege zijn uiterlijk en etniciteit.

Namens de passagier heeft de Zweedse Ombudsman voor discriminatie (hierna: Ombudsman) beroep ingesteld bij de Zweedse rechter en gevorderd dat de luchtvaartmaatschappij ertoe zou worden veroordeeld om een schadevergoeding aan de passagier te betalen vanwege het discriminerende gedrag. De luchtvaartmaatschappij zou volgens de Ombudsman in strijd hebben gehandeld met de Zweedse wet inzake discriminatie. In die wetgeving is onder meer de EU-Rasrichtlijn omgezet in Zweeds recht.

De luchtvaartmaatschappij heeft er – overeenkomstig de toepasselijke bepalingen uit het Zweedse burgerlijk wetboek – mee ingestemd om de schadevergoeding te betalen, maar heeft uitdrukkelijk betwist dat sprake was van discriminatie. Op grond van de Zweedse procesregels mag de rechter na een zodanige instemming geen uitspraak meer doen over de vraag of sprake was van discriminatie.

Na hoger beroep kwam de zaak terecht bij de hoogste Zweedse rechter in burgerlijke en strafzaken. Deze rechter wenst in essentie van het EU-Hof te vernemen of de artikelen 7 en 15 van de EU-Rasrichtlijn en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte ( artikel 47 EU-Handvest ) zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een rechter belet om het bestaan van discriminatie te onderzoeken wanneer de verweerder bereid is om de schadevergoeding te betalen, maar weigert om de discriminatie te erkennen.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt dat vaststaat dat deze zaak binnen de werkingssfeer van de EU-Rasrichtlijn valt, aangezien het gaat om vermeend discriminerend gedrag op grond van etnische afstamming of ras in het kader van de toegang tot een ‘publiekelijk beschikbare dienst’. Een vlucht van een luchtvaartmaatschappij vormt zo’n publiekelijk beschikbare dienst (artikel 3, lid 1, onder h, EU-Rasrichtlijn).

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat de artikelen 7 en 15 van de EU-Rasrichtlijn, gelezen tegen de achtergrond van artikel 47 EU-Handvest , zich verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die een rechter belet om het bestaan van discriminatie te onderzoeken wanneer degene die heeft gediscrimineerd bereid is om de schadevergoeding te betalen, maar weigert om de discriminatie te erkennen. Het EU-Hof komt tot dit oordeel op basis van vier punten.

Ten eerste oordeelt het EU-Hof dat uit artikel 7 van de EU-Rasrichtlijn volgt dat eenieder recht heeft op een uitspraak van een rechter over een eventuele schending van zijn rechten op grond van de EU-Rasrichtlijn, wanneer degene die heeft gediscrimineerd de gestelde discriminatie niet erkent. De enkele betaling van een geldbedrag biedt in een dergelijk geval volgens het EU-Hof namelijk geen effectieve rechterlijke bescherming.

Ten tweede oordeelt het EU-Hof dat de sancties op grond van artikel 15 van de EU-Rasrichtlijn zowel een herstellende als een afschrikkende functie moeten hebben. Volgens het EU-Hof is het in het kader van de herstellende functie voor het slachtoffer van belang dat de discriminatie wordt erkend. Daarnaast kan de verplichting om alleen een geldbedrag te betalen niet worden geacht een afschrikkende functie te hebben. De persoon die heeft gediscrimineerd kan er dan namelijk – vanuit het oogpunt van de kosten en voor zijn imago – voor kiezen om schadevergoeding te betalen en op die manier voorkomen dat een rechter vaststelt dat sprake is van discriminatie. Doordat de imagoschade en de kosten kunnen worden beperkt is geen sprake van afschrikking.

Ten derde oordeelt het EU-Hof dat nationale procesregels die een rechter beletten om de discriminatie te onderzoeken en vast te stellen, ook niet kunnen worden gerechtvaardigd door overwegingen van procedureel recht zoals het lijdelijkheidsbeginsel, het beginsel van proceseconomie en het streven om de minnelijke regeling van geschillen te bevorderen. De in de vorige alinea bedoelde beginselen hebben met name tot doel om een gerechtelijke procedure snel af te ronden.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat het voorrangsbeginsel van het EU-recht van de nationale rechter verlangt dat hij de nationale procedureregel die hem belet om uitspraak te doen over het bestaan van de gestelde discriminatie buiten toepassing laat. Alleen op die manier kan de eerbiediging van het EU-recht volgens het EU-Hof namelijk worden verwezenlijkt.

Meer informatie: