EU-Hof: Nederlandse officier van justitie is geen ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ voor uitvoering Europees aanhoudingsbevel

Contentverzamelaar

EU-Hof: Nederlandse officier van justitie is geen ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ voor uitvoering Europees aanhoudingsbevel
Een Nederlandse officier van justitie is niet bevoegd om als uitvoerende rechterlijke autoriteit op te treden in het kader van de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel, omdat hij individuele instructies kan ontvangen van de Nederlandse minister van Justitie. Hierdoor heeft de officier van justitie niet voldoende onafhankelijkheid van de uitvoerende macht. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van de Belgische rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 november 2020 in de zaak C-510/19, AZ.

Achtergrond

De Belgische rechter heeft in 2017 een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd tegen AZ die zich in Nederland bevindt. AZ is een Belgisch onderdaan die verdacht werd van valsheid in geschrifte, gebruik van valse stukken en oplichting. Op grond van een beslissing van de Nederlandse rechtbank is uitvoering gegeven aan het EAB en is AZ in 2017 vanuit Nederland overgeleverd aan België. In 2018 heeft de onderzoeksrechter in België een aanvullend EAB tegen AZ uitgevaardigd wegens aanvullende strafbare feiten.

Op grond van het specialiteitsbeginsel uit het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB) kan een persoon die op grond van een EAB aan de uitvaardigende lidstaat is overgeleverd, niet door de rechterlijke autoriteiten van deze lidstaat worden vervolgd wegens andere vóór zijn overlevering gepleegde feiten dan die welke de reden voor zijn overlevering waren. Hier is een uitzondering op mogelijk als de ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ daar toestemming voor geeft (artikel 6, lid 2 en artikel 27, lid 3 onder g), Kaderbesluit EAB). In casu heeft de Nederlandse officier van justitie toestemming verleend om de vervolging van AZ uit te breiden overeenkomstig het aanvullend EAB. Vervolgens is AZ in België veroordeeld voor de feiten uit het oorspronkelijke en het aanvullende EAB.

AZ is tegen zijn veroordeling opgekomen bij de Belgische rechter. In deze procedure vraagt de Belgische rechter aan het EU-Hof of de Nederlandse officier van justitie kan worden beschouwd als een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin artikel 6, lid 2, van het Kaderbesluit EAB en dus bevoegd is om de toestemming voor een aanvullend EAB te verlenen.

EU-Hof

Invulling begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’

Ter beantwoording van deze vraag gaat het EU-Hof in de eerste plaats in op de aard en invulling van het begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2, van het Kaderbesluit EAB. In dit kader oordeelt het EU-Hof dat het begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ een autonoom begrip van Unierecht is. De strekking van dit begrip kan immers niet worden overgelaten aan de beoordeling van elke lidstaat, aangezien dit begrip in de gehele EU autonoom en uniform moet worden uitgelegd.

Vervolgens gaat het EU-Hof in op de criteria voor de bepaling van de inhoud van dit begrip. Ten eerste geldt dat het begrip ‘rechterlijke autoriteit’ niet slechts de rechters en rechterlijke instanties van een lidstaat aanduidt. Dit begrip is breder en kan ook autoriteiten omvatten die in de betrokken lidstaat deelnemen aan de strafrechtsbedeling, in tegenstelling tot bijvoorbeeld ministeries of politiediensten, die deel uitmaken van de uitvoerende macht. Ten tweede moet een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ zijn taak objectief kunnen uitoefenen en de nodige onafhankelijkheid hebben ten opzichte van de uitvoerende macht. Het moet zonder twijfel zijn dat het besluit tot uitvoering van het EAB uitgaat van de uitvoerende autoriteit en niet van de uitvoerende macht. Deze onafhankelijkheid vereist dat er nationale voorschriften bestaan die waarborgen dat deze autoriteit bij de vaststelling van een beslissing tot uitvoering van een EAB geen enkel risico loopt te worden onderworpen aan met name een individuele instructie van de uitvoerende macht.

Tot slot benoemt het Hof dat, wanneer de bevoegdheid om een EAB uit te voeren wordt toegekend aan een autoriteit die geen rechterlijke instantie is maar wel deelneemt aan de rechtsbedeling, de procedure moet voldoen aan de eisen van een effectieve rechterlijke bescherming. Dit impliceert dat in de lidstaat effectief beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing van deze autoriteit.  

Ter onderbouwing van bovenstaand oordeel sluit het EU-Hof aan bij eerdere rechtspraak over het begrip ‘uitvaardigende rechterlijke autoriteit’ (artikel 6, lid 1, Kaderbesluit EAB). In deze rechtspraak heeft het EU-Hof reeds geoordeeld dat dit ook een autonoom begrip van Unierecht is en daarbij criteria ter invulling van dit begrip gegeven. Volgens het EU-Hof is deze rechtspraakover het begrip ‘uitvaardigende rechtelijke autoriteit’ ook van toepassing ten aanzien van het begrip ‘uitvoerende rechtelijke autoriteit’. Hoewel de taken van beide rechterlijke autoriteiten verschillen, hebben zij immers dezelfde aard en status. Dit blijkt in de eerste plaats uit het feit dat aan het gehele Kaderbesluit EAB het beginsel ten grondslag dat de grondrechten en fundamentele rechtsbeginselen gewaarborgd worden (artikel 1, lid 1, Kaderbesluit EAB). Hierdoor moeten beide autoriteiten voldoen aan de waarborg van onafhankelijkheid. Daarnaast kan zowel bij de uitvaardiging als de tenuitvoerlegging van een EAB de vrijheid van de verdachte worden aangetast. Tot slot voegt het EU-Hof daaraan toe dat in de procedure voor de uitvaardiging van een EAB de grondrechten op twee niveaus worden beschermd, namelijk bij de nationale rechterlijke veroordeling en bij de daaropvolgende uitvaardiging van het EAB. In de fase van de tenuitvoerlegging daarentegen is de tussenkomst van de uitvoerende rechterlijke autoriteit het enige beschermingsniveau.

Nederlandse officier van justitie geen ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’

In de tweede plaats gaat het EU-Hof in op de vraag of, in het licht van de hiervoor besproken vereisten, de Nederlandse officier van justitie als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2 en artikel 27, lid 3 onder g) van het Kaderbesluit EAB kan worden aangemerkt.

In dit kader wijst het EU-Hof erop dat de Nederlandse rechtbank in deze zaak de beslissing nam over de tenuitvoerlegging van het EAB en de Nederlandse officier van justitie de beslissing over de toestemming voor het aanvullend EAB. Volgens het EU-Hof gelden de eerder geformuleerde vereisten aan het begrip ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ echter zowel bij de uitvoering van een EAB als bij het verlenen van toestemming voor een aanvullend EAB. Deze toestemming kan immers pas worden verleend wanneer het strafbaar feit waarvoor in het aanvullend EAB wordt verzocht op zichzelf de verplichting tot overlevering meebrengt (artikel 27, lid 4, EAB Kaderbesluit). Ook kan deze toestemming - net zoals de uitvoering van het EAB - de vrijheid van de verdachte aantasten, aangezien een aanvullend EAB tot een zwaardere veroordeling van de verdachte kan leiden.

Daarom kan de toestemming voor een aanvullend EAB volgens het EU-Hof niet worden verleend door een autoriteit die in het kader van de uitoefening van haar beslissingsbevoegdheid een individuele instructie kan ontvangen van de uitvoerende macht. Onder deze omstandigheid voldoet de officier van justitie immers niet aan de noodzakelijke voorwaarden om te worden aangemerkt als een ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van artikel 6, lid 2, van het Kaderbesluit EAB.

De Nederlandse officier van justitie kan volgens artikel 127 van de Wet op de rechterlijke organisatie individuele instructies ontvangen van de Nederlandse minister van Justitie. Daarom oordeelt het EU-Hof dat deze officier van justitie niet aan de noodzakelijke voorwaarden voldoet om als ‘uitvoerende rechterlijke autoriteit’ in de zin van het kaderbesluit EAB te kunnen worden aangemerkt. Dit doet niet af aan het oordeel dat de verdachte tegen de verleende toestemming voor het aanvullend EAB kan opkomen bij de voorzieningenrechter. Het bestaan van dit rechtsmiddel voor verdachte heeft immers niet tot gevolg dat de officier van justitie beschermd is tegen het risico dat zijn beslissing over het verlenen van toestemming voor een aanvullend EAB voorwerp uitmaakt van een individuele instructie van de Nederlandse minister van Justitie, aldus het EU-Hof.  

Meer informatie:

  • ECER dossier : Europees aanhoudingsbevel
  • ECER bericht A-G: Nederlands OM niet bevoegd in te stemmen met uitbreiding strafbare feiten in Europees aanhoudingsbevel