EU-Hof: Niet-begeleide minderjarige asielzoeker alleen uitzetten als in terugkeerland adequate opvang is

Contentverzamelaar

EU-Hof: Niet-begeleide minderjarige asielzoeker alleen uitzetten als in terugkeerland adequate opvang is
Een lidstaat moet bij het vaststellen van een terugkeerbesluit onderzoeken of in het land van terugkeer adequate opvang beschikbaar is voor een minderjarige derdelander die zonder zijn ouders in de lidstaat verblijft. Na de uitvaardiging van een terugkeerbesluit mag een lidstaat niet wachten met het nemen van verwijderingsmaatregelen totdat een derdelander meerderjarig is. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Nederlandse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 14 januari 2021 in de zaak C-441/19, TQ .

Achtergrond

TQ is geboren in Guinee en heeft als minderjarige van 15 jaar en vier maanden oud in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Hij verblijft als minderjarige in Nederland zonder zijn ouders of enige andere familieleden (hierna: niet-begeleide minderjarige). De Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft de aanvraag voor een verblijfsvergunning afgewezen. Dit afwijzingsbesluit geldt overeenkomstig het Nederlandse recht als een terugkeerbesluit in de zin van artikel 6, lid 1 van richtlijn 2008/115 (hierna: Terugkeerrichtlijn). TQ heeft beroep ingesteld tegen het afwijzingsbesluit bij de rechter. Volgens TQ is in zijn terugkeerland namelijk geen adequate opvang aanwezig, omdat hij zijn ouders bij terugkeer niet zou herkennen en ook geen andere familieleden daar kent.

De rechter wil ten eerste van het EU-Hof weten of een lidstaat ook bij de uitvaardiging van een terugkeerbesluit moet onderzoeken of sprake is van adequate opvang voor de niet-begeleide minderjarige in het terugkeerland. Uit de tekst van de Terugkeerrichtlijn volgt namelijk dat een dergelijke onderzoeksverplichting alleen op het moment van verwijdering van de niet-begeleide minderjarige geldt ( artikel 10, lid 2, Terugkeerrichtlijn ) en niet al daarvoor bij de vaststelling van het terugkeerbesluit.

In de tweede plaats vraagt de rechter aan het EU-Hof of een lidstaat op grond van nationaal recht een onderscheid mag maken tussen personen jonger dan 15 jaar en personen ouder dan 15 jaar en kan besluiten om alleen onderzoek te doen naar adequate opvang in het terugkeerland ten aanzien van personen jonger dan 15 jaar.

Ten derde wil de rechter van het EU-Hof weten of een lidstaat, nadat zij een terugkeerbesluit heeft genomen, mag wachten met het nemen van verwijderingsmaatregelen totdat de minderjarige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Personen die ouder zijn dan 15 jaar worden namelijk in Nederland niet verwijderd totdat zij 18 jaar oud zijn en verblijven tot die tijd illegaal in Nederland.

EU-Hof:

Onderzoek naar adequate opvang bij vaststelling terugkeerbesluit

Het EU-Hof oordeelt dat een lidstaat die voornemens is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen een niet-begeleide minderjarige, in alle fasen van de terugkeerprocedure rekening moet houden met de belangen van het kind ( artikel 5, onder a, Terugkeerrichtlijn ). De belangen van het kind moeten volgens het EU-Hof worden vastgesteld aan de hand van een algemene en grondige beoordeling van de situatie van de niet-begeleide minderjarige.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen zonder te onderzoeken of er adequate opvang aanwezig is in het terugkeerland. Een andere conclusie zou volgens het EU-Hof leiden tot onzekerheid bij de niet-begeleide minderjarige over zijn wettelijke status. Deze onzekerheid zou het gevolg zijn van het feit dat de lidstaat een terugkeerbesluit zou kunnen uitvaardigen, maar de derdelander alsnog niet zal worden verwijderd indien tijdens het moment van verwijdering vast komt te staan dat in het terugkeerland geen adequate opvang aanwezig is. Daarom moet het onderzoek naar de adequate opvang in het terugkeerland ook al tijdens de uitvaardiging van een terugkeerbesluit worden verricht.

Onderscheid naar leeftijd bij onderzoek naar adequate opvang

Het EU-Hof oordeelt dat een lidstaat niet kan besluiten om het onderzoek naar adequate opvang in het terugkeerland alleen uit te voeren ten aanzien van personen jonger dan 15 jaar. De autoriteiten van de lidstaat dienen de situatie van de niet-begeleide minderjarige per geval te toetsen, in het kader van een algemene en grondige beoordeling. Ook ten aanzien van minderjarige personen tussen de 15 en 18 jaar moet dus een dergelijk onderzoek worden verricht.

Het uitstellen van verwijderingsmaatregelen tot het bereiken van de leeftijd van 18 jaar

Het EU-Hof brengt in herinnering dat de autoriteiten van een lidstaat tegen een derdelander die illegaal op het grondgebied verblijft een terugkeerbesluit moeten uitvaardigen ( artikel 6, lid 1, Terugkeerrichtlijn ) en zo spoedig mogelijk tot zijn verwijdering moeten overgaan ( artikel 8, lid 1, Terugkeerrichtlijn ). Indien de autoriteiten een terugkeerbesluit hebben vastgesteld mag een lidstaat daarom niet wachten met verwijdering van het grondgebied totdat de derdelander 18 jaar oud is.

Het EU-Hof oordeelt eveneens dat indien tijdens de fase van de verwijdering vast komt te staan dat in het terugkeerland geen adequate opvang meer aanwezig is, het terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd.

Meer informatie: