Contentverzamelaar

EU-Hof: niet vergoeden van schoolvervoerskosten aan grensarbeiders in strijd met EU-recht
De voorwaarde dat studenten in een Duitse deelstaat moeten wonen om in aanmerking te komen voor vergoeding van vervoerskosten vormt een indirecte discriminatie van grensarbeiders en hun gezinnen. Dat Duitsers die buiten de deelstaat wonen ook geen vergoeding krijgen, is niet relevant. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 2 april in de zaak C-830/18 Landkreis Südliche Weinstraße.

PF, een Duitse staatsburger, gaat naar de middelbare school in de Landkreis (district) Südliche Weinstraße in de deelstaat Rijnland-Palts (Duitsland), maar woont met zijn ouders, ook met Duitse nationaliteit, in Frankrijk. Zijn moeder werkt in Duitsland.

Vanaf het schooljaar 2015-2016 weigert het district de kosten van het schoolvervoer van PF te dragen op grond dat de verplichting om het schoolvervoer te organiseren volgens het recht van Rijnland-Palts alleen betrekking heeft op studenten die in deze deelstaat wonen.

De verwijzende rechter vraagt het EU-Hof of een maatregel die het dragen van de kosten van schoolvervoer door een deelstaat afhankelijk stelt van het verblijf op zijn grondgebied, een indirecte discriminatie van migrerende werknemers inhoudt. Zo ja, dan vraagt hij zich af of het vereiste kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, namelijk de noodzaak om een doeltreffende organisatie van het schoolsysteem te waarborgen.

In de uitspraak stelt het EU-Hof in de eerste plaats vast dat de moeder van PF, een Duitse onderdaan die haar werk in Duitsland heeft behouden en haar woonplaats naar Frankrijk heeft verplaatst, zich als “migrerende werknemer” kan beroepen op het beginsel van gelijke behandeling ten aanzien van haar lidstaat van herkomst, te weten Duitsland ( artikel 7, lid 2, van EU-verordening 492/2011 ).

Het Hof stelt vervolgens vast dat een maatregel die de vergoeding van de kosten van schoolvervoer afhankelijk stelt van het verblijf in de betrokken deelstaat, naar zijn aard in het bijzonder grensarbeiders die in een andere lidstaat wonen, benadeelt. Het gaat dus om een indirecte discriminatie die in de regel verboden is door het EU-recht.

Het feit dat ook werknemers die in andere Duitse deelstaten wonen, aan deze verplichting zijn onderworpen, is in dit verband niet van belang. Als eenmaal is vastgesteld dat een nationale wettelijke regeling naar de aard ervan grensarbeiders in grotere mate treft dan nationale werknemers, is het voor de kwalificatie ervan als indirecte discriminatie niet van belang dat de nationale maatregel in voorkomend geval nadelig uitpakt voor zowel burgers van de lidstaat zelf die niet kunnen voldoen aan dat criterium als voor grensarbeiders, aldus het EU-Hof. Om een maatregel als indirect discriminerend te kunnen beschouwen hoeft deze namelijk niet tot gevolg te hebben dat alle eigen onderdanen van de betrokken staat worden begunstigd of dat enkel grensarbeiders, met uitsluiting van werknemers die onderdaan zijn van de betrokken staat, worden benadeeld.

Ten tweede vindt de discriminatie zijn oorsprong in een voorwaarde om woonplaats te hebben op een deelgebied van het grondgebied van een lidstaat en niet in een voorwaarde om de nationaliteit van een bepaalde lidstaat te hebben. Daarom maakt het voor de vaststelling van een geval van indirecte discriminatie weinig verschil dat nationale werknemers die in een andere deelstaat wonen, ook door dit woonplaatsvereiste worden getroffen. In voorkomend geval wordt hun situatie bestreken door het begrip „omgekeerde discriminatie”, dat door het recht van de Unie niet in aanmerking wordt genomen, aldus het EU-Hof.

Het EU-Hof merkt bovendien op dat het betrokken vereiste niet alleen een indirecte discriminatie inhoudt, maar ook een belemmering van het vrije verkeer van werknemers, aangezien het een onderdaan van een lidstaat ervan kan weerhouden zijn land van herkomst te verlaten en zijn recht op vrij verkeer uit te oefenen.

Wat de mogelijke rechtvaardiging van het betrokken woonplaatsvereiste betreft, erkent het Hof dat de organisatie van het schoolsysteem in de deelstaat Rijnland-Palts een legitiem doel kan vormen. Het EU-Hof is echter van mening dat de organisatie van het schoolvervoer niet onlosmakelijk verbonden is met de organisatie van het schoolsysteem binnen die deelstaat. Daarom houden de bepalingen van de deelstaat inzake het schoolvervoer onvoldoende verband met de organisatie van het schoolsysteem om als een legitiem doel te kunnen worden beschouwd, aldus het EU-Hof.