Contentverzamelaar

EU-Hof: Niet verschenen verdachte heeft recht op advocaat
Een verdachte moet het recht op een advocaat ook kunnen uitoefenen indien hij niet verschijnt voor een rechter. Er kan niet worden gewacht tot het moment dat een nationaal aanhoudingsbevel ten uitvoer is gelegd. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Spaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 12 maart 2020 in de zaak C-659/18 VW .

Op 20 april 2018 heeft de politie van Badalona (Spanje) tegen VW proces-verbaal opgemaakt wegens het rijden zonder rijbewijs en vervalsing van een document. In juni 2018 heeft de onderzoeksrechter besloten om VW te horen. Nadat VW meerdere malen niet was verschenen is op 27 september 2018 een aanhoudingsbevel uitgevaardigd. De verblijfplaats van VW was onbekend. Op 16 oktober 2018 ontving de onderzoeksrechter een fax van een advocaat waarin zij aangaf namens VW op te treden.

In deze zaak is richtlijn 2013/48 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures (hierna: richtlijn) van belang. Artikel 3 , lid 1 van de richtlijn bepaalt dat verdachten en beklaagden recht hebben op een advocaat, op een zodanig moment en zodanige wijze dat de betrokken personen hun rechten van verdediging daadwerkelijk in de praktijk kunnen uitoefenen. Artikel 3, lid 2 van de richtlijn specificeert vanaf welke momenten dit recht in ieder geval ontstaat. De rechten van verdediging van verdachten zijn in Spanje onder meer neergelegd in artikel 24 van de Grondwet. De constitutionele rechter in Spanje heeft geoordeeld dat het recht op een advocaat afhankelijk kan worden gesteld van de voorwaarde dat de verdachte voor de rechter verschijnt. Sinds de invoering van de richtlijn is deze rechtspraak ongewijzigd gebleven.

VW is niet voor de rechter verschenen. De onderzoeksrechter wil weten of het recht op een advocaat kan worden uitgesteld tot het moment dat het aanhoudingsbevel ten uitvoer is gelegd. Slechts vanaf dat moment kan verdachte pas voor de rechter verschijnen.

EU-Hof

Het EU-Hof gaat eerst in op de toepasselijkheid van de richtlijn. Artikel 2, lid 1 bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op beklaagden en verdachten vanaf het ogenblik dat zij door de bevoegde autoriteiten in kennis zijn gesteld van het feit dat zij verdacht of beschuldigd worden van een strafbaar feit. De Spaanse regering stelde dat de betrokkene niet als verdachte kon worden aangemerkt, omdat hij niet was verschenen en er daardoor niet van op de hoogte was gebracht dat hij verdacht werd van een strafbaar feit. Het EU-Hof oordeelt dat het voor de toepasselijkheid van de richtlijn voldoende is dat de bevoegde autoriteiten de persoon in kwestie in kennis stellen, op welke wijze dan ook. Het gegeven dat autoriteiten een besluit nemen of andere formele stappen nemen om de persoon te informeren moet als toereikend worden geacht. Niet relevant is hoe de informatie die persoon bereikt. Uit de gegevens van deze zaak blijkt dat VW een advocaat in de arm heeft genomen. Ondanks het gegeven dat VW geen vaste verblijfplaats heeft, is hij toch op een bepaalde manier in kennis gesteld. Het EU-Hof overweegt dat dit voldoende is.

Met betrekking tot de rechtsvraag overweegt het EU-Hof dat het recht op een advocaat moet worden gewaarborgd indien een beklaagde wordt gehoord voor de rechter. Dit is niet anders indien de beklaagde in het geheel niet verschijnt voor de rechter. De richtlijn voorziet namelijk in een uitputtende opsomming van gevallen waarin tijdelijk kan worden afgeweken van het recht op een advocaat. Deze afwijkingen moeten restrictief worden uitgelegd. Het niet-verschijnen voor een onderzoeksrechter valt niet onder een van de afwijkingen. De verdachte moet daarom het recht op een advocaat kunnen uitoefenen indien hij niet verschijnt voor een rechter. Er kan niet worden gewacht tot het moment dat het aanhoudingsbevel ten uitvoer is gelegd.