EU-Hof: nieuw asielverzoek kan worden gebaseerd op omstandigheden die reeds bestonden ten tijde van het vorige asielverzoek

Contentverzamelaar

EU-Hof: nieuw asielverzoek kan worden gebaseerd op omstandigheden die reeds bestonden ten tijde van het vorige asielverzoek
Een volgend asielverzoek kan worden gebaseerd op ‘nieuwe omstandigheden’ die reeds bestonden ten tijde van de beëindiging van de procedure in het kader van het vorige asielverzoek, maar destijds niet zijn aangevoerd. De ontvankelijkheid van een volgend asielverzoek mag wel afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de nieuwe omstandigheden buiten toedoen van de asielzoeker niet zijn aangevoerd in het kader van het vorige asielverzoek. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarde moet wel uitdrukkelijk in het nationale recht zijn opgenomen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 9 september 2021 in de zaak C-18/20, XY .

Achtergrond

Richtlijn 2013/32 (hierna: EU-Procedurerichtlijn) voorziet in gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van internationale bescherming (asiel en subsidiaire bescherming). Artikel 40 van de EU-Procedurerichtlijn maakt het mogelijk dat verzoekers een volgend asielverzoek kunnen indienen wanneer sprake is van nieuwe elementen of bevindingen die niet bij het vorige asielverzoek zijn behandeld. EU-lidstaten kunnen de behandeling van een volgend (asiel)verzoek wel afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verzoeker buiten zijn eigen toedoen de nieuwe elementen of bevindingen niet heeft kunnen aanvoeren bij het vorige asielverzoek (lid 4).

XY is afkomstig uit Irak en heeft op 18 juli 2015 in Oostenrijk een eerste asielverzoek (hierna: eerste verzoek) ingediend. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft XY verklaard dat hij Irak heeft verlaten omdat hij het risico liep te worden gedood, aangezien hij had geweigerd gevolg te geven aan het bevel van sjiitische milities om voor hen te strijden. 

Op 29 januari 2018 heeft de Oostenrijkse federale vreemdelingen- en asieldienst (hierna: de asieldienst) het eerste asielverzoek afgewezen, omdat de argumenten van XY ongeloofwaardig werden bevonden. Bij beslissing van 27 juli 2018 heeft een Oostenrijkse rechter het door XY ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek ongegrond verklaard. De beslissing van deze rechter is definitief geworden (gezag van gewijsde). 

Vervolgens heeft XY op 4 december 2018 een zogeheten volgend asielverzoek ingediend. XY voert aan dat hij zijn hele leven al homoseksueel is en op grond daarvan in Irak voor zijn leven moet vrezen. Volgens XY heeft hij zijn homoseksualiteit bij het eerste asielverzoek verzwegen, omdat hij toen niet wist dat hij in Oostenrijk openlijk uit kon komen voor zijn homoseksualiteit. Volgens XY vormt zijn homoseksualiteit een ‘nieuw element of bevinding’ die in het kader van een volgend asielverzoek dient te worden onderzocht.

De Oostenrijkse asieldienst heeft bij besluit van 28 januari 2019 geoordeeld dat de homoseksuele geaardheid van XY niet geloofwaardig is. Daardoor is er geen sprake van een ‘nieuw element of bevinding’ en verzet het gezag van gewijsde van de eerdere beslissing - in het kader van het eerste asielverzoek - zich ertegen dat een inhoudelijke beoordeling wordt verricht van het volgende asielverzoek.

Nadat het beroep van XY tegen het besluit van de asieldienst van 28 januari 2019 ongegrond werd verklaard heeft XY beroep in revisie ingesteld bij de hoogste bestuursrechter van Oostenrijk. Deze rechter heeft het EU-Hof drie prejudiciële vragen gesteld.

EU-Hof

Tijdstip van ontstaan van nieuwe elementen of bevindingen

De rechter vraagt het EU-Hof ten eerste om het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ ( artikel 40 EU-Procedurerichtlijn ) te verduidelijken. De rechter wil weten of onder dat begrip alleen elementen of bevindingen vallen die pas na de definitieve beëindiging van de procedure inzake het vorige asielverzoek zijn ontstaan of ook elementen of bevindingen die reeds voor de definitieve beëindiging van de procedure inzake het vorige asielverzoek bestonden, maar tijdens die procedure niet naar voren zijn gebracht. De homoseksualiteit van XY – die XY pas bij het volgend asielverzoek naar voren bracht – bestond namelijk ook al bij de behandeling van het vorige asielverzoek.

Het EU-Hof oordeelt dat zowel elementen of bevindingen die na de definitieve beëindiging van de procedure inzake het vorige asielverzoek zijn ontstaan, als elementen of bevindingen die reeds bestonden voor de beëindiging van die procedure, onder het begrip ‘nieuwe elementen of bevindingen’ kunnen vallen. Volgens het EU-Hof maken de bewoordingen van artikel 40 EU-Procedurerichtlijn namelijk geen onderscheid naargelang het tijdstip dat de nieuw aangevoerde bevindingen of elementen zijn ‘ontstaan’. Deze nieuw aangevoerde bevindingen of elementen kunnen dus reeds voor de beëindiging van de procedure inzake het vorige asielverzoek zijn ontstaan, maar ook daarna. 

Procedure voor de inhoudelijke toetsing van volgende verzoeken

De rechter wil in de tweede plaats van het EU-Hof weten of de inhoudelijke toetsing van een in artikel 40 EU-Procedurerichtlijn bedoeld volgend asielverzoek in het kader van een heropening van de procedure van het vorige asielverzoek moet plaatsvinden of dat een nieuwe procedure moet worden ingeleid.

Het EU-Hof oordeelt dat de EU-Procedurerichtlijn in beginsel geen enkele specifieke procedure vereist voor de inhoudelijke toetsing van een volgend asielverzoek. In die omstandigheden staat het de lidstaten vrij om procedurele bepalingen voor de behandeling van volgende verzoeken vast te stellen, mits de ontvankelijkheidsvoorwaarden van de EU-Procedurerichtlijn (met name artikel 33, lid 2 onder d en artikel 40) in acht worden genomen en de behandeling ten gronde plaatsvindt in overeenstemming met de fundamentele beginselen en waarborgen van de EU-Procedurerichtlijn. Het EU-Hof oordeelt eveneens dat een EU-lidstaat – wanneer zij het volgend asielverzoek behandelt door middel van een heropening van de procedure in het kader van het vorige asielverzoek – geen vervaltermijnen mag vaststellen.

Voorwaarde van het ontbreken van eigen toedoen

Artikel 40, lid 4 van de EU-Procedurerichtlijn bepaalt dat de EU-lidstaten ervoor kunnen kiezen om de ontvankelijkheid van een volgend asielverzoek afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat de verzoeker buiten zijn eigen toedoen de nieuwe elementen of bevindingen niet heeft kunnen aanvoeren tijdens de procedure inzake het vorige asielverzoek. Volgens het EU-Hof mag deze ontvankelijkheidsvoorwaarde slechts worden toegepast wanneer deze voorwaarde uitdrukkelijk in het nationale recht is omgezet.

Meer informatie: