Contentverzamelaar

EU-Hof: Onafhankelijkheid nationale rechter valt onder controle EU-Hof
De onafhankelijkheid van nationale rechters valt onder de werkingssfeer van het EU recht en daarom onder de controle van het EU-Hof. Een salarisverlaging van de Portugese rechters maakt echter geen inbreuk op deze onafhankelijkheid, aldus het EU-Hof. Dat heeft het EU- Hof bepaald op vragen van een Portugese rechter.

Het gaat om het arrest van de grote kamer het EU-Hof van 27 februari 2018 in zaak C-64/16 Associação Sindical dos Juízes Portugueses

In oktober 2014 is in Portugal een tijdelijke salarisverlaging ingevoerd voor een groot aantal ambtsdragers in de publieke sector. Ook leden van de rechterlijke macht zijn daarbij gekort. De vakbond voor Portugese rechters verzoekt om vernietiging van deze besluiten. De vakbond stelt dat de maatregel inbreuk maakt op het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters zoals opgenomen in artikel 19 lid 1 tweede alinea EU-Verdrag en artikel 47 EU-Handvest van de Grondrechten. De verwijzende Portugese rechter is van mening dat de maatregel in het kader van het Unierecht is genomen, omdat de Portugese regering bij besluiten van de Unie, waarbij onder meer financiële bijstand is toegekend, verplicht is  zijn begrotingstekort te verminderen. Hij vraagt het EU-Hof of de onpartijdigheid van rechters zoals die voortvloeit uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag, artikel 47 EU-Handvest zich verzetten tegen de salarisverlaging.

Volgens artikel 19 VEU moeten de lidstaten zorgen voor de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden te verzekeren.  Het EU-Hof overweegt dat artikel 19 VEU een zelfstandige bepaling is, zodat, onafhankelijk van de werkingssfeer van artikel 47 Handvest, het EU-Hof kan toetsen of de rechterlijke macht aan de EU-eisen voor de rechterlijke macht voldoet. Artikel 19 VEU bestrijkt in het algemeen domeinen die vallen onder toepassing van het Unierecht. Dat is breder dan de situatie waarin de lidstaten het Unierecht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, ten uitvoer brengen. Het Hof herinnert er daarbij aan dat de Unie overeenkomstig artikel 2 EU-Verdrag is gebaseerd op waarden, zoals de rechtsstaat en het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten en, in het bijzonder, hun rechterlijke instanties. Het Hof benadrukt dat dit vertrouwen in elkaars rechterlijke instanties gebaseerd is op de fundamentele premisse dat de lidstaten deze waarden delen. Het Hof voegt daaraan toe dat artikel 19 VEU, dat het in artikel 2 VEU verankerde rechtsstaatbeginsel concretiseert, het rechterlijk toezicht op de eerbiediging van de rechtsorde van de Unie niet alleen aan het Hof maar ook aan de rechters van de lidstaten toevertrouwt. De nationale rechters vervullen dus, in samenwerking met het Hof, een taak die hun gezamenlijk is opgedragen om de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen te waarborgen. De lidstaten moeten daarom voorzien in de nodige rechtsmiddelen om een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren.

Hieruit volgt meer concreet de verplichting voor de lidstaten dat alle instanties die als “rechterlijke instantie” – in de zin van het Unierecht – deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden, voldoen aan de vereisten van een daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden. Volgens het Hof is het vereiste van onafhankelijkheid van de rechter inherent aan het vereiste van daadwerkelijke rechtsbescherming. Dit wordt bevestigd door artikel 47, tweede lid, van het EU-Handvest, dat de toegang tot een onafhankelijk gerecht vermeldt als één van de vereisten voor het fundamentele recht op een daadwerkelijke voorziening in rechte. Het begrip onafhankelijkheid veronderstelt met name dat de instantie haar rechtsprekende taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen tussenkomsten of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in aan hen voorgelegde geschillen in gevaar zouden kunnen brengen. Naast de onafzetbaarheid is ook een bezoldiging die qua omvang evenredig is aan het belang van de functies die zij uitoefenen, een aan de rechterlijke onafhankelijkheid inherente waarborg.

In dit concrete geval oordeelt het EU-Hof echter dat de salarisverlaging in de betrokken omstandigheden geen afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht.

Meer info:

  • Thomas von Danwitz (President van de Vierde Kamer van het EU-Hof), Values and the rule of law: Foundations of the European Union – an inside perspective from the ECJ, King's College Londen, 2.03.2018 (vertaling):

    "Het Hof heeft dan ook (in punt 39 van dit arrest, red.) volkomen duidelijk gesteld dat de vereisten van het recht van de Unie op het gebied van de rechterlijke onafhankelijkheid niet beperkt zijn tot een min of meer nauwkeurig omschreven situatie waarin het recht van de Unie in concreto ten uitvoer wordt gelegd, maar zich uitstrekt tot alle nationale rechterlijke instanties die in het algemeen geconfronteerd zouden kunnen worden met vragen betreffende de toepassing van het recht van de Unie.

    Deze interpretatie lijkt opmerkelijk, aangezien zij gevolgen heeft die veel verder gaan dan de vrij specifieke omstandigheden van het onderhavige geval. Volgens deze uitlegging moet elke niet-eerbiediging van de waarborg van rechterlijke onafhankelijkheid worden beschouwd als een inbreuk op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, indien het waarschijnlijk is dat de betrokken rechterlijke instantie geconfronteerd zal worden met kwesties van Unierecht. Het is niet langer nodig te onderzoeken of dit orgaan in dit geval wordt geconfronteerd met een situatie waarin het recht van de Unie ten uitvoer wordt gelegd. Met dit antwoord sluit het Hof min of meer indirect aan bij het debat over de beperkte doeltreffendheid van de procedure van artikel 7 VEU, dat voorziet in de mogelijkheid om bepaalde rechten van een lidstaat op te schorten in geval van een ernstige en voortdurende schending van de fundamentele waarden van de Unie: Het Hof wijst de Commissie op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en blijft tegelijkertijd trouw aan de eerder ingezette koers om zich te verzetten tegen de verleiding om de in artikel 51, eerste alinea, van het Handvest vastgestelde grenzen van de werkingssfeer te overschrijden."