EU-Hof: ook in situaties van gelijkwaardige arbeid kan het EU-beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers worden ingeroepen in gedingen tussen particulieren

Contentverzamelaar

EU-Hof: ook in situaties van gelijkwaardige arbeid kan het EU-beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers worden ingeroepen in gedingen tussen particulieren
De mogelijkheid om in een procedure tussen particulieren een beroep te kunnen doen op het EU-beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers moet niet beperkt blijven tot situaties waarin de werknemers van verschillend geslacht ‘gelijke arbeid’ verrichten. Die mogelijkheid moet ook bestaan in situaties waarin de werknemers van verschillend geslacht ‘gelijkwaardige arbeid’ verrichten. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Britse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 3 juni 2021 in de zaak C-624/19, Tesco Stores .

Achtergrond

Tesco Stores is een detailhandelaar die zijn producten online en in winkels in het Verenigd Koninkrijk verkoopt. In de winkels en de distributiecentra van Tesco zijn respectievelijk 250.000 en 11.000 medewerkers werkzaam. Ongeveer 6.000 (voormalige) werknemers van het bedrijf – zowel mannen en vrouwen – hebben Tesco gedagvaard voor een Britse rechter, omdat de werknemers geen gelijke beloning voor gelijke arbeid hadden ontvangen. Een dergelijke ongelijke behandeling is volgens de werknemers in strijd met de Britse regelgeving inzake gelijke behandeling en het EU-beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers ( artikel 157 EU-Werkingsverdrag ).

De vrouwelijke werknemers hebben bij de Britse rechter betoogd dat hun arbeid gelijkwaardig is aan die van de mannelijke werknemers die werkzaam zijn bij de distributiecentra van Tesco. In dit kader stellen de vrouwelijke werknemers dat zij krachtens artikel 157 EU-Werkingsverdrag het recht hebben om hun arbeid te vergelijken met de arbeid van hun mannelijke collega’s. Tesco heeft bij de rechter aangevoerd dat artikel 157 EU-Werkingsverdrag niet van toepassing is in procedures tussen particulieren voor zover het gaat om vorderingen die berusten op de stelling dat ‘gelijkwaardige arbeid’ wordt verricht.

Artikel 157, lid 1, EU-Werkingsverdrag bepaalt dat iedere EU-lidstaat ervoor moet zorgen dat het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor ‘gelijke (arbeid)’ of ‘gelijkwaardige arbeid’ wordt toegepast. Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers kan worden ingeroepen in een procedure tussen particulieren wanneer sprake is van ‘gelijke arbeid’ ( C-43/75, Defrenne ). De Britse rechter vraagt in deze zaak aan het EU-Hof of het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers ook kan worden ingeroepen in een procedure tussen particulieren wanneer sprake is van ‘gelijkwaardige arbeid’.

EU-Hof

Het EU-Hof kijkt eerst naar de bewoordingen van artikel 157 EU-Werkingsverdrag . In dat artikel is bepaald dat iedere EU-lidstaat er zorg voor draagt dat het beginsel van gelijke beloning voor ‘gelijke (arbeid)’ of ‘gelijkwaardige arbeid’ wordt toegepast. Volgens het EU-Hof legt dit artikel een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting op, namelijk het toepassen van het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers. Daarnaast volgt uit artikel 157 EU-Werkingsverdrag dat dit artikel dwingend recht vormt ten aanzien van zowel ‘gelijke arbeid’ als ‘gelijkwaardige arbeid’.

Het EU-Hof brengt verder in herinnering dat particulieren artikel 157 EU-Werkingsverdrag rechtstreeks kunnen inroepen bij de rechter, omdat die bepaling voor particulieren rechten in het leven roept die de nationale rechter dient te handhaven. Het gaat om het recht van particulieren op een gelijke beloning, ongeacht het geslacht. De particulieren kunnen hun rechten inroepen in gevallen van discriminatie die rechtstreeks hun oorsprong vinden in wettelijke bepalingen of collectieve arbeidsovereenkomsten en wanneer de arbeid wordt verricht in dezelfde – particuliere of openbare – instelling of dienst ( C-43/75 , Defrenne).

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat de mogelijkheid voor een particulier om zich in een procedure tussen particulieren te kunnen beroepen op artikel 157 EU-Werkingsverdrag niet beperkt moet blijven tot situaties waarin de werknemers van verschillend geslacht ‘gelijke arbeid’ verrichten. Die mogelijkheid moet volgen het EU-Hof ook bestaan in situaties waarin de werknemers van verschillend geslacht ‘gelijkwaardige arbeid’ verrichten. Het antwoord op de vraag of de betrokken werknemers van verschillend geslacht ‘gelijke arbeid’ dan wel ‘gelijkwaardige arbeid’ verrichten hangt volgens het EU-Hof af van de feitelijke beoordeling van de nationale rechter.

Het EU-Hof oordeelt eveneens dat de vastgestelde verschillen in beloning voor vrouwelijke en mannelijke werknemers wel moeten kunnen worden toegerekend aan één bron. Dit houdt in dat er sprake moet zijn van één entiteit – bijvoorbeeld een werkgever - die de gelijke behandeling tussen vrouwelijke en mannelijke werknemers kan herstellen. Wanneer geen sprake is van één bron, is artikel 157 EU-Werkingsverdrag niet van toepassing.  Wanneer de verschillen in beloningsvoorwaarden wel kunnen worden gelinkt aan één bron, kunnen de arbeid en de beloning van die werknemers worden vergeleken op grond van artikel 157 EU-Werkingsverdrag . Zelfs indien de werknemers hun arbeid in verschillende vestigingen van de werkgever verrichten. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of een entiteit – zoals een werkgever – kan worden aangemerkt als één bron.

Meer informatie: