EU-Hof: ook verlaten voortplantingsplaatsen van beschermde diersoorten moeten worden beschermd

Contentverzamelaar

EU-Hof: ook verlaten voortplantingsplaatsen van beschermde diersoorten moeten worden beschermd
Het begrip ‘voortplantingsplaatsen’ in de zin van de EU-Habitatrichtlijn kan ook betrekking hebben op voortplantingsplaatsen die niet meer door beschermde diersoorten worden bewoond. Dergelijke voortplantingsplaatsen moeten worden beschermd tegen beschadiging en vernieling zolang de kans voldoende groot is dat de beschermde diersoort zal terugkeren naar die voortplantingsplaats. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 28 oktober 2021 in de zaak C-357/20, IE tegen Magistrat der Stadt Wien .

Achtergrond

Een projectontwikkelaar heeft bouwwerkzaamheden ondernomen op een terrein waar de veldhamster zich had gevestigd. De veldhamster is als beschermde diersoort opgenomen in bijlage IV, onder a van EU-richtlijn 92/43 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: EU-Habitatrichtlijn). Artikel 12, lid 1, onder d van de EU-Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten om het beschadigen of het vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten te verbieden.

Voor de uitvoering van de werkzaamheden heeft de projectontwikkelaar de vegetatielaag laten weghalen, de bouwplaats laten vrijmaken en vlak bij de ingangen van de hamsterburchten een bouwwerfpad laten aanleggen. Met het verwijderen van de vegetatielaag werd met name beoogd om de veldhamster te doen wegtrekken. Bij de bevoegde autoriteiten werd echter geen voorafgaande toestemming aangevraagd om deze schadelijke maatregelen te mogen uitvoeren.

IE is als werknemer van de projectontwikkelaar aansprakelijk gesteld voor de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- en rustplaatsen van de veldhamster. Overeenkomstig de regionale omzettingsbepalingen van de EU-Habitatrichtlijn heeft het Weense stadsbestuur een boete aan IE opgelegd. IE heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het Weense stadsbestuur bij een Oostenrijkse bestuursrechter. Die rechter heeft prejudiciële vragen gesteld aan het EU-Hof, die door het EU-Hof gedeeltelijk zijn beantwoord en voor het overige niet-ontvankelijk zijn verklaard (C-477/19, zie het ECER-bericht over die zaak).

Na de uitspraak van het EU-Hof in de zaak C-477/19 heeft diezelfde rechter opnieuw prejudiciële vragen gesteld aan het EU-Hof over artikel 12, lid 1, onder van de EU-Habitatrichtlijn.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt in de eerste plaats dat het begrip ‘voorplantingsplaats’ niet uitsluitend de daadwerkelijke voortplantingsplaats omvat, maar zich ook uitstrekt tot de directe omgeving van de voortplantingsplaats. Volgens het EU-Hof kan de directe omgeving noodzakelijk zijn om het dier in staat te stellen zich voort te planten. Activiteiten in de directe omgeving van de voortplantingsplaats kunnen namelijk tot gevolg hebben dat het dier de betreffende voortplantingsplaats niet langer kan of wil bezoeken.

In de tweede plaats oordeelt het EU-Hof dat de bescherming van de voortplantingsplaatsen van beschermde diersoorten niet beperkt is in de tijd. De bescherming is niet beperkt tot de periode van concrete en daadwerkelijke bewoning van de voortplantingsplaats of tot de draagtijd en de eventuele afhankelijkheid van de jongen van het beschermde dier. De voortplantingsplaatsen moeten volgens het EU-Hof ook worden beschermd wanneer die plaatsen niet meer worden bewoond, maar de kans voldoende groot is dat het dier naar die plaatsen zal terugkeren. De nationale rechter moet beoordelen of die kans voldoende groot is.

Vervolgens gaat het EU-Hof in op de criteria om het onderscheid te bepalen tussen een ‘beschadiging’ en een ‘vernieling’ van een voortplantingsplaats. In die context oordeelt het EU-Hof dat de EU-Habitatrichtlijn tot doel heeft om de ecologische functionaliteit van voortplantingsplaatsen te beschermen. Volgens het EU-Hof vormt de mate waarin de ecologische functionaliteit van de voortplantingsplaats wordt aangetast het beslissende criterium om een onderscheid te maken tussen een beschadiging en een vernieling. In het geval van een beschadiging is sprake van een geleidelijke vermindering van de ecologische functionaliteit, terwijl in het geval van een vernieling sprake is van het volledige verlies van die functionaliteit.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Milieu
  • ECER-bericht – EU-Hof: EU-Habitatrichtlijn heeft ook betrekking op de bescherming van verlaten rustplaatsen van beschermde diersoorten (6 augustus 2020)