EU-Hof oordeelt over de Nederlandse beroepsprocedure tegen verkeersboetes

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over de Nederlandse beroepsprocedure tegen verkeersboetes
Een lidstaat mag een beroepsprocedure tegen verkeersboetes zodanig inrichten dat eerst een voorafgaande bestuurlijke fase plaatsvindt voordat betrokkene toegang krijgt tot een met name in strafzaken bevoegde rechter. De toegang tot die rechter mag echter niet afhankelijk zijn van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken. De Nederlandse kantonrechter kan worden aangemerkt als een met name in strafzaken bevoegde rechter. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Poolse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 7 april 2022 in de zaak C-150/21, D.B.

Achtergrond

In Nederland kunnen geldboetes worden opgelegd voor de overtreding van de verkeersregels. Op grond van de Nederlandse regeling kan de oplegging van een geldboete binnen zes weken worden betwist bij een openbaar aanklager. Indien de openbaar aanklager het standpunt van de betrokkene niet deelt, heeft deze recht om beroep in te stellen bij een kantonrechter. Indien de boete 225 euro of meer bedraagt, moet de betrokkene zekerheid stellen opdat die rechter de zaak onderzoekt.

Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) is in Nederland verantwoordelijk voor het innen van geldboetes en heeft een Poolse rechter verzocht om de erkenning en de tenuitvoerlegging van een geldboete van 92 euro, die aan de Poolse onderdaan D.B. is opgelegd. Die geldboete was opgelegd wegens te hard rijden. Het CJIB heeft het verzoek ingediend overeenkomstig de voorwaarden van Kaderbesluit 2005/214 .

De Poolse rechter heeft zijn twijfels over de Nederlandse beroepsprocedure tegen de beslissing tot het opleggen van de geldboete en de hoedanigheid van de beroepsinstantie. De beslissing is namelijk gegeven door een andere autoriteit dan een rechter. In zulke gevallen heeft de betrokkene het recht om zijn zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter in de zin van artikel 1, onder a, ii van Kaderbesluit 2005/214 . Op grond van de Nederlandse regeling moet echter eerst beroep worden ingesteld bij een openbaar aanklager, die geen rechter is. In die context heeft de rechter het EU-Hof vragen gesteld.

EU-Hof

De Poolse rechter wil weten of het recht op hoger beroep tegen een beslissing tot oplegging van een geldboete is gewaarborgd ondanks de verplichting om een voorafgaande bestuurlijke procedure te volgen alvorens de zaak wordt onderzocht door een ‘met name in strafzaken bevoegde rechter’. Het EU-Hof oordeelt dat op grond van een nationale regeling mag worden vereist dat eerst een voorafgaande bestuurlijke fase plaatsvindt voordat betrokkene toegang krijgt tot de rechter. De toegang tot een (met name in strafzaken bevoegde) rechter mag echter niet afhankelijk zijn van voorwaarden die deze toegang onmogelijk of uitermate moeilijk maken.

Volgens het EU-Hof hoeft daarom niet te worden onderzocht of de openbaar aanklager – die betrokken is in de bestuurlijke fase – kan worden aangemerkt als een met name in strafzaken bevoegde rechter in de zin van artikel 1, onder a, ii van Kaderbesluit 2005/214. Dat onderzoek moet wel plaatsvinden ten aanzien van de kantonrechter. Het EU-Hof oordeelt dat de Nederlandse kantonrechter zich kan uitspreken over de juridische en de feitelijke kwesties alsook over de vraag of de opgelegde boete evenredig is aan de begane overtreding. Daarnaast gelden in de procedure bij de kantonrechter de in strafzaken gepaste procedurele waarborgen. De Nederlandse kantonrechter kan daarom worden aangemerkt als een met name in strafzaken bevoegde rechter.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen – Geldelijke sancties