EU-Hof oordeelt over het recht van verdachten op vertolking, vertaling en informatie in strafprocedures

Contentverzamelaar

EU-Hof oordeelt over het recht van verdachten op vertolking, vertaling en informatie in strafprocedures
Een nationale regeling mag bepalen dat een schending van het recht op vertolking, vertaling en informatie in strafprocedures binnen een bepaalde termijn wordt ingeroepen op straffe van uitsluiting. Die termijn mag echter niet gaan lopen voordat de betrokkene in een taal die hij spreekt of begrijpt, in kennis is gesteld van het bestaan en de strekking van zijn recht op vertolking en vertaling. Daarnaast mag die termijn niet gaan lopen voordat de betrokkene in een taal hij spreekt of begrijpt, in kennis is gesteld van het bestaan en de inhoud van essentiële documenten en de daaraan verbonden gevolgen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op een vraag van een Portugese rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 augustus 2022 in de zaak C-242/22 PPU, TL tegen Ministério Público.

Achtergrond

Het gaat in deze zaak om een strafprocedure waarin een Portugese rechter een persoon (TL) van Moldavische nationaliteit tot drie jaar gevangenisstraf heeft veroordeeld. TL verstaat alleen het Roemeens, de officiële taal van zijn land. De Portugese rechter heeft een voorwaardelijke straf aan TL opgelegd, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Eén van de voorwaarden was dat TL bereikbaar moest zijn op de verblijfplaats die hij had opgegeven in de ‘Verklaring van identiteit en verblijf’ (hierna: DIR). In de DIR is de verplichting opgenomen dat een verandering van de verblijfplaats moet worden medegedeeld aan de autoriteiten. De DIR regelt eveneens de gevolgen van het niet nakomen van die verplichting. De DIR is niet vertaald in het Roemeens.

In januari 2021 heeft de rechter TL gedagvaard om te worden gehoord over de niet-nakoming van de uit de proeftijd voortvloeiende verplichtingen (hierna: beschikking van januari). Aangezien TL niet langer op het opgegeven adres verbleef en hij de dagvaarding aldus niet heeft gelezen, is hij op de aangegeven datum niet verschenen voor de rechter. De rechter heeft in juni 2021 besloten om de schorsing van de gevangenisstraf te herroepen (hierna: beschikking van juni). TL is niet veel later gearresteerd en sindsdien verblijft hij in de gevangenis.  

Aangezien bij de opstelling van de DIR en de beschikkingen van januari en juni de aanwezigheid van een tolk en de vertaling van bepaalde documenten in het Roemeens zijn verzuimd, heeft TL bij een Portugese rechter verzocht om de nietigheid vast te stellen van de DIR en de twee beschikkingen. Die rechter heeft het beroep verworpen op grond dat de procedurefouten weliswaar waren vastgesteld, maar dat TL zich niet binnen de in het nationale recht gestelde termijnen op die fouten had beroepen.  

TL heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen die rechterlijke beslissing. De rechter in hoger beroep wil van het EU-Hof weten hoe richtlijn 2010/64 en richtlijn 2012/13 moeten worden uitgelegd met betrekking tot de nietigheid van handelingen die zijn verricht zonder dat aan de vereisten van die richtlijnen is voldaan. Artikel 2, lid 1 en artikel 3, lid 1 van richtlijn 2010/64 regelen het recht op tolk- en vertaaldiensten van verdachten en beklaagden en artikel 3, lid 1, onder d van richtlijn 2012/13 schrijft voor dat verdachten of beklaagden onverwijld informatie moeten krijgen over hun recht op tolk- en vertaaldiensten (hierna: de drie bepalingen.

EU-Hof

Rechtstreekse werking

Het EU-Hof oordeelt in de eerste plaats dat de drie bepalingen rechtstreekse werking hebben. Ondanks het feit dat die bepalingen nog niet of onvolledig in de Portugese rechtsorde zijn omgezet, kan TL zich beroepen op de uit die bepalingen voortvloeiende rechten.

Schending van het recht op tolk- en vertaaldiensten

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat de DIR en de twee beschikkingen van januari en juni een integrerend deel vormden van de procedure die de strafrechtelijke aansprakelijkheid van TL heeft doen ontstaan. Vanuit dat oogpunt is de toepassing van de richtlijnen 2010/64 en 2012/13 op die drie handelingen volgens het EU-Hof volledig gerechtvaardigd. In die context oordeelt het EU-Hof dat de drie handelingen binnen de werkingssfeer van voornoemde richtlijnen vallen en met name essentiële stukken vormen waarvan TL een schriftelijke vertaling in het Roemeens had moeten ontvangen.  

Het EU-Hof stelt vast dat de DIR en de twee beschikkingen van januari en juni niet in het Roemeens zijn vertaald. Daarnaast is TL niet in kennis gesteld van zijn recht om een vertaling van die drie handelingen te ontvangen. Tenslotte is TL tijdens de terechtzitting over de inbreuken op de proeftijdregeling niet door een tolk bijgestaan en is hij ook niet op de hoogte gebracht van zijn recht op een tolk. In die omstandigheden zijn volgens het EU-Hof de rechten van TL uit hoofde van de drie bepalingen in zijn strafprocedure geschonden.

Gevolgen van schendingen van het recht op tolk- en vertaaldiensten

Het EU-Hof stelt vast richtlijn 2010/64 en richtlijn 2012/13 niet de gevolgen regelen die aan een schending van de in die richtlijnen neergelegde rechten moeten worden verbonden. Het staat aan de lidstaten om de gevolgen vast te stellen, mits de nationale regels voldoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel.

In deze zaak heeft de nationale regeling tot gevolg dat de termijn om op te komen tegen schendingen van de door de drie bepalingen verleende rechten, reeds een aanvang neemt voordat de betrokkene in een taal die hij spreekt of begrijpt in kennis is gesteld van het bestaan en de strekking van zijn recht op vertolking en vertaling en van het bestaan en de inhoud van het betrokken essentiële document en de daaraan verbonden gevolgen. Een dergelijke nationale regeling ondermijnt volgens het EU-Hof het doeltreffendheidsbeginsel.

Meer informatie: