Contentverzamelaar

EU-Hof: Oostenrijkse revalidatie-uitkering is een uitkering bij ziekte.
Een Oostenrijkse revalidatie-uitkering moet worden beschouwd als een uitkering bij ziekte in de zin van de EU-verordening inzake de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. De lidstaat van herkomst is echter niet verplicht om de revalidatie-uitkering te betalen indien verzoeker verhuisd is naar een andere lidstaat en deelname aan het socialezekerheidsstelsel heeft beëindigd. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 5 maart 2020 in de zaak C-135/19 Pensionsversicherungsanstalt tegen CW .

CW heeft de Oostenrijkse nationaliteit en is geboren in 1965. Tot en met 1990 heeft zij in Oostenrijk gewoond en gewerkt. In 1990 is CW verhuisd naar Duitsland en heeft zij de aansluiting bij het Oostenrijkse socialezekerheidsstelsel beëindigd. CW heeft in 2015 een verzoek ingediend bij de Oostenrijkse pensioendienst voor de toekenning van een invaliditeitspensioen, revalidatie-uitkering of maatregelen ter bevordering van de beroepsrevalidatie. De pensioendienst weigerde het verzoek, omdat CW niet langer onder het Oostenrijkse socialezekerheidsstelsel zou vallen. De rechters in eerste aanleg en hoger beroep bepaalden dat CW wel recht had op een revalidatie-uitkering. De pensioendienst heeft cassatie ingesteld bij het Oberste Gerichtshof.

In deze zaak is EU-verordening 883/2004 inzake de coördinatie van socialezekerheidsstelsels van belang. Artikel 3 bepaalt dat de verordening onder meer van toepassing is op prestaties (uitkeringen en verstrekkingen) bij ziekte, uitkeringen bij invaliditeit en uitkeringen bij werkloosheid. Artikel 11 schrijft voor welke nationale wetgeving van toepassing is. In deze zaak is met name artikel 11 lid 3 sub e van belang. Volgens deze bepaling is de wetgeving van de lidstaat waar een niet-actieve persoon zijn woonplaats heeft van toepassing .

Het Oberste Gerichtshof wil weten of een revalidatie-uitkering moet worden beschouwd als een uitkering bij ziekte, uitkering bij invaliditeit of uitkering bij werkloosheid. Tevens wil de verwijzende rechter antwoord op de vraag of de lidstaat van herkomst (Oostenrijk) op grond van de verordening verplicht is om de revalidatie-uitkering te betalen.

EU-Hof

Met betrekking tot de kwalificatie van de revalidatie-uitkering bepaalt het EU-Hof dat moet worden gekeken naar welk risico de verschillende socialezekerheidsuitkeringen beogen te dekken. Ten eerste moet een werkloosheidsuitkering worden toegekend wanneer de verzoeker geen dienstbetrekking meer heeft. Het EU-Hof benadrukt dat de revalidatie-uitkering verschuldigd is, ongeacht of de verzoeker een dienstbetrekking heeft. De revalidatie-uitkering is dus geen werkloosheidsuitkering. Ten tweede moet in het kader van een invaliditeitsuitkering worden vermeld dat regelmatig wordt gecontroleerd of de tijdelijke invaliditeit voortduurt. De uitkering kan zo nodig worden beëindigd. Volgens Oostenrijks recht geldt een minimum van zes maanden aan revalidatie-uitkering. De uitkering kan niet eerder worden beëindigd en voldoet dus niet aan de kenmerken van een invaliditeitsuitkering. Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat de revalidatie-uitkering wel kwalificeert als een uitkering bij ziekte. De uitkering wordt namelijk betaald door een ziekteverzekeringsorgaan en het bedrag is gebaseerd op dat van het ziekengeld.

In relatie tot de vraag of Oostenrijk als lidstaat van herkomst verplicht is om de revalidatie-uitkering te betalen benadrukt het EU-Hof dat verordening 883/2004 een volledig en eenvormig stelsel van aanwijsregels kent. Deze aanwijsregels zijn dwingend. Volgens een juiste toepassing van de aanwijsregels is artikel 11 lid 3 sub e van toepassing. Dit artikel bepaalt dat de wetgeving van de lidstaat waar de verzoeker haar woonplaats heeft van toepassing is. In deze zaak is Duitsland de lidstaat waar CX verblijft. Oostenrijk is daarom niet verplicht om de revalidatie-uitkering aan een persoon met haar nationaliteit te betalen.