EU-Hof: Opvangrichtlijn is van toepassing op de sanctionering van ernstig gewelddadig gedrag van een asielzoeker buiten het opvangcentrum

Contentverzamelaar

EU-Hof: Opvangrichtlijn is van toepassing op de sanctionering van ernstig gewelddadig gedrag van een asielzoeker buiten het opvangcentrum
Een lidstaat mag besluiten tot intrekking van de opvangvoorzieningen ten aanzien van een meerderjarige asielzoeker die zich buiten het opvangcentrum schuldig heeft gemaakt aan ernstig gewelddadig gedrag. De intrekking van het volledige pakket aan opvangvoorzieningen of van opvangvoorzieningen met betrekking tot huisvesting, voedsel of kleding mag echter niet tot gevolg hebben dat de asielzoeker de mogelijkheid wordt ontnomen om in zijn meest elementaire behoeften te voorzien. Dat is het antwoord van het EU-Hof op een vraag van een Italiaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 augustus 2022 in de zaak C-442/21, Ministero dell'Interno.

Achtergrond

Het gaat in deze zaak om een procedure tussen TO en het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken (hierna: het ministerie). TO is een derdelander, een aanvrager van internationale bescherming en verblijft in een tijdelijk opvangcentrum in Italië. Hij is meerderjarig en behoort niet tot de groep van kwetsbare personen in de zin van hoofdstuk IV van de Opvangrichtlijn.

Op 28 juni 2019 heeft FO, samen met een andere verzoeker om internationale bescherming, op een spoorwegstation een spoorwegbeambte en twee agenten van de gemeentepolitie van Florence verbaal en fysiek aangevallen. Alle drie hebben zij verwondingen opgelopen die door de plaatselijke hulpdienst moesten worden behandeld. De gemeentepolitie heeft bij de prefectuur van Florence aangifte gedaan. De aangifte heeft geleid tot een besluit tot intrekking van de (materiële) opvangvoorzieningen die ten gunste van TO waren genomen.  

TO heeft de rechtmatigheid van dat besluit aangevochten bij een Italiaanse rechter. Die rechter heeft het beroep toegewezen onder verwijzing naar het arrest van het EU-Hof in de zaak C-233/18 (Haqbin). Naar het oordeel van die rechter moet het toepasselijke nationale recht wegens strijd met het EU-recht buiten toepassing worden gelaten, aangezien het nationale recht in de hiervoor genoemde omstandigheden uitsluitend voorziet in de sanctie van intrekking van de (materiële) opvangvoorzieningen en niet in andere, minder ingrijpende sancties.  

Het ministerie heeft tegen het arrest van de lagere rechter beroep ingesteld bij de Raad van State (Italië). Die rechter wil van het EU-Hof weten of artikel 20, leden 4 en 5 van de Opvangrichtlijn zich verzetten tegen de intrekking van de opvangvoorzieningen in omstandigheden zoals aan de orde in de onderhavige zaak. Meer in het bijzonder speelt de vraag of het vaststellen van sancties in de zin van voornoemd artikel ook betrekking kan hebben op ernstige vormen van geweld buiten het opvangcentrum.

EU-Hof

Toepasselijkheid artikel 20 van de Opvangrichtlijn op gewelddadig gedrag dat buiten het opvangcentrum wordt gepleegd

Het EU-Hof brengt in herinnering dat artikel 20, lid 4 van de Opvangrichtlijn de lidstaten de bevoegdheid verleent om sancties vast te stellen die van toepassing zijn op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra, alsmede op ernstige vormen van geweld. Uit de bewoordingen van dat artikel volgt volgens het EU-Hof dat ‘de ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot opvangcentra’ en ‘ernstige vormen van geweld’ twee verschillende situaties zijn, die elk volstaan om de oplegging van een sanctie te rechtvaardigen.

Het EU-Hof oordeelt vervolgens dat het begrip ‘ernstige vormen van geweld’ elke vorm van geweld omvat, ongeacht waar het zich heeft voorgedaan. Het kan dus ook gaan om geweld dat zich buiten het opvangcentrum heeft voorgedaan.

Intrekking van de materiële opvangvoorzieningen als sanctie

Het EU-Hof brengt in herinnering dat artikel 20, lid 4 van de Opvangrichtlijn zich niet uitdrukkelijk verzet tegen een sanctie die betrekking heeft op (de intrekking van) materiële opvangvoorzieningen en die wordt opgelegd vanwege de in dat artikel genoemde situaties.

De intrekking van het volledige pakket aan materiële opvangvoorzieningen of van materiële opvangvoorzieningen met betrekking tot huisvesting, voedsel of kleding, is echter niet toegestaan voor zover dit tot gevolg zou hebben dat de verzoeker om internationale bescherming de mogelijkheid wordt ontnomen om in zijn meest elementaire behoeften te voorzien. Het gegeven dat de gedragingen van de verzoeker om internationale bescherming bijzonder ernstig en laakbaar zijn, kan niet tot een andere conclusie leiden.

Het opleggen van (eventuele) andere sancties moet in alle omstandigheden voldoen aan de voorwaarden van artikel 20, lid 5 van de Opvangrichtlijn, waaronder de naleving van het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van eerbiediging van de menselijke waardigheid.

Meer informatie: