EU-Hof: rechters mogen in bepaalde omstandigheden beslissingen van onrechtmatig benoemde rechters non-existent verklaren

Contentverzamelaar

EU-Hof: rechters mogen in bepaalde omstandigheden beslissingen van onrechtmatig benoemde rechters non-existent verklaren
Bij rechtszoekenden kan legitieme twijfel ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechter wanneer de benoeming van die rechter in strijd was met fundamentele regels van het betrokken gerechtelijke systeem en die benoeming daarom als onrechtmatig kan worden beschouwd. Een nationale rechter mag beslissingen van een onrechtmatig benoemde rechter non-existent verklaren wanneer dit noodzakelijk is om de voorrang van het EU-recht te verzekeren. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Poolse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 6 oktober 2021 in de zaak C-487/19, W.Z.

Achtergrond

In augustus 2018 is de Poolse rechter W.Z. zonder zijn instemming door de president van zijn rechtbank overgeplaatst van de ene afdeling naar een andere afdeling van de rechtbank. Deze overplaatsing komt feitelijk neer op een degradatie, omdat hij is overgeplaatst van een kamer van tweede aanleg naar een kamer van eerste aanleg van die rechtbank.

Vervolgens heeft W.Z. twee procedures ingesteld bij de hoogste Poolse rechter in burgerlijke en strafzaken (hierna: Hoge Raad). Ten eerste de procedure bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken (hierna: de bijzondere kamer). De bijzondere kamer zal moeten oordelen over het beroep dat W.Z. heeft ingesteld tegen het besluit van de president van zijn rechtbank om hem over te plaatsen. Ten tweede de procedure bij de civiele kamer van de Hoge Raad. De civiele kamer moet oordelen over het wrakingsverzoek dat W.Z. heeft ingesteld tegen de rechters van de bijzondere kamer van de Hoge Raad. Volgens W.Z. voldoen de rechters van de bijzondere kamer, gelet op de wijze waarop zij worden benoemd, niet aan de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid.

Met betrekking tot de benoeming van de rechters van de bijzondere kamer verwijst de civiele kamer naar een beschikking van de hoogste Poolse bestuursrechter. In die beschikking heeft de hoogste Poolse bestuursrechter de werking van besluit 331/2008 opgeschort. In dat besluit heeft de Poolse nationale raad voor de rechtspraak aan de Poolse president voorgesteld om een aantal kandidaten te benoemen tot rechter in de bijzondere kamer van de Hoge Raad. Ondanks de beschikking van de hoogste Poolse bestuursrechter heeft de Poolse president toch een aantal kandidaten benoemd tot rechter in de bijzondere kamer, onder wie de rechter die moet oordelen over het door W.Z. ingestelde hoger beroep tegen de beslissing tot overplaatsing.

Die rechter van de bijzondere kamer heeft als alleen zittende rechter het beroep van W.Z tegen het besluit tot overplaatsing niet-ontvankelijk verklaard. De civiele kamer van de Hoge Raad – waar het wrakingsverzoek van W.Z. wordt behandeld – heeft geoordeeld dat de in de vorige zin bedoelde beslissing van de bijzondere kamer van de Hoge Raad in strijd is met het Poolse recht. Het Poolse recht verzet zich er namelijk tegen dat een eindbeslissing wordt gegeven wanneer er nog geen uitspraak is gedaan op een wrakingsverzoek van een rechter dat door een andere rechter is ingediend.

De rechters van de civiele kamer van de Hoge Raad hebben prejudiciële vragen gesteld aan het EU-Hof. Volgens het EU-Hof willen die rechters weten of zij de beschikking van de bijzondere kamer van de Hoge Raad  “niet bestaand” (non-existent) moeten verklaren. Met name omdat de rechter van die bijzondere kamer, gelet op de omstandigheden waaronder hij is benoemd, geen ‘vooraf bij de wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht’ is in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag . Zoals de rechters van de civiele kamer aangeven vereist een bij de wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat de rechters rechtmatig zijn benoemd. De rechter in het hoger beroep van W.Z. is echter in strijd met een beschikking van de hoogste Poolse bestuursrechter door de Poolse president benoemd.

EU-Hof

Regels inzake overplaatsingen van rechters

Het EU-Hof brengt in de eerste plaats in herinnering dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag bepaalt dat het aan de lidstaten staat om te voorzien in de nodige rechtsmiddelen en procedures om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren op de onder het EU-recht vallende gebieden. Om te waarborgen dat een nationale rechterlijke instantie in staat is om daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden is volgens het EU-Hof de instandhouding van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van die instantie van essentieel belang. In dat kader is het van belang dat rechters worden behoed voor inmenging of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid in gevaar zou kunnen brengen.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat de rechterlijke onafhankelijkheid vereist dat er bepaalde waarborgen zijn om rechters te beschermen tegen elk extern ingrijpen of elke externe druk in zijn werkzaamheden. Die waarborgen moeten er onder meer voor zorgen dat rechters – behoudens gerechtvaardigde uitzonderingen - niet afgezet kunnen worden (beginsel van onafzetbaarheid).

In die context oordeelt het EU-Hof dat onvrijwillige overplaatsingen van rechters naar een andere rechterlijke instantie of naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters zou kunnen aantasten. Dergelijke overplaatsingen kunnen volgens het EU-Hof namelijk worden gebruikt als middel om politiek toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen, aangezien die overplaatsingen invloed kunnen hebben op de omvang van de bevoegdheden van de betrokken rechters en de behandeling van de aan hun toevertrouwde dossiers. Ook kunnen de overplaatsingen aanzienlijke gevolgen hebben voor het leven en de loopbaan van de rechters. Die gevolgen zijn voor het EU-Hof vergelijkbaar met die van een tuchtrechtelijke maatregel tegen een rechter.

Het EU-Hof oordeelt daarom dat het uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, EU-Verdrag voortvloeiende vereiste van onafhankelijkheid van rechters vereist dat de regels voor onvrijwillige overplaatsingen van rechters, net als tuchtregels, met name de noodzakelijke waarborgen bieden om elk risico uit te sluiten dat deze onafhankelijkheid in gevaar wordt gebracht door directe of indirecte (politieke) invloed van buitenaf.

Non-existent verklaren van gerechtelijke beslissingen

Het EU-Hof brengt in herinnering dat een onregelmatigheid die binnen het gerechtelijk systeem in kwestie is begaan bij de benoeming van de rechters, een schending oplevert van het vereiste dat een gerecht bij wet is ingesteld. Volgens het EU-Hof staat het aan de nationale rechter om uitspraak te doen over de vraag of de omstandigheden waaronder een rechter is benoemd, en met name de onregelmatigheden die tijdens de procedure voor zijn benoeming zijn begaan, kunnen leiden tot de conclusie dat de rechter niet heeft gehandeld als een ‘onpartijdig, onafhankelijk en bij wet ingesteld gerecht’ in de zin van artikel 47, tweede alinea, eerste volzin van het EU-Handvest van de grondrechten .

Indien de nationale rechter tot de conclusie komt dat de omstandigheden waaronder een rechter benoemd is van dien aard zijn dat niet kan worden voldaan aan het vereiste van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij de wet ingesteld gerecht, kan de nationale rechter beslissingen van die rechter op grond van het beginsel van voorrang van het EU-recht non-existent verklaren.

Meer informatie: