EU-Hof: regionale entiteiten lidstaten worden niet rechtstreeks geraakt door verordening inzake grenswaarden stikstofemissies voertuigen

Contentverzamelaar

EU-Hof: regionale entiteiten lidstaten worden niet rechtstreeks geraakt door verordening inzake grenswaarden stikstofemissies voertuigen
Bij het onderzoek of een regionale entiteit rechtstreeks wordt geraakt door een verordening over emissies, kan rekening worden gehouden met een bepaling in een richtlijn over goedkeuring van voertuigen waaraan de desbetreffende verordening beoogt uitvoering te geven. Onderhavige richtlijnbepaling ziet op de goedkeuring van voertuigen en heeft geen betrekking op de uitoefening van bevoegdheden van een regionale autoriteit om het verkeer van voertuigen in de stad te reguleren. Daarmee wordt de regionale autoriteit niet rechtstreeks geraakt door de verordening die uitvoering beoogt te geven aan de betreffende richtlijnbepaling en is die autoriteit niet ontvankelijk in zijn beroep om de verordening nietig te laten verklaren. Dat is het antwoord van het EU-Hof in een hogere voorziening, ingesteld door de steden Parijs, Brussel en Madrid, tegen een arrest van het EU-Gerecht.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 13 januari 2022 in de (gevoegde) zaak C-177/19 P Duitsland- Ville de Paris e.a./ Commissie, C- 178-19 P (Hongarije) en C-179/19 P (Parijs) over het begrip rechtstreekse geraaktheid.

Achtergrond

In 2007 stelde de EU-wetgever met richtlijn 2007/46 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen, aanhangwagens, systemen, onderdelen en technische eenheden voor dergelijke voertuigen (hierna: de richtlijn) een geharmoniseerd kader vast voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen met het oog op de registratie, de verkoop en het in het verkeer brengen van die voertuigen in de Europese Unie.

Naar aanleiding van het Dieselgateschandaal heeft de Europese Commissie een testprocedure ingevoerd voor emissies in reële rijomstandigheden (hierna: RDE) van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen die worden goedgekeurd overeenkomstig de geldende regelgeving, om een beter beeld te krijgen van emissies op de weg. EU-Verordening 2016/646 tot wijziging van verordening EG nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft (hierna: omstreden verordening) voorziet in een aanvulling van de voorschriften voor de RDE-tests, waarbij de stikstofoxide-emissies zijn vastgesteld die bij die tests niet mogen worden overschreden.

De steden Parijs, Brussel en Madrid stelden elk beroep tot nietigverklaring in tegen de omstreden verordening. Zij gaven aan dat deze verordening hen verhindert om verkeersbeperkingen op te leggen aan private voertuigen vanwege hun vervuilende emissies. De Europese Commissie stelde dat deze beroepen niet-ontvankelijk zouden moeten worden verklaard omdat de omstreden verordening de verzoekende steden niet rechtstreeks raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea EU-Werkingsverdrag .

Het EU-Gerecht heeft de beroepen deels toegewezen. Het EU-Gerecht bracht daarbij in herinnering dat de omstreden verordening is vastgesteld om uitvoering te geven aan artikel 4, lid 3, tweede alinea van richtlijn 2007/46. Volgens het EU-Gerecht moet rekening worden gehouden met die richtlijnbepaling bij het bepalen of de omstreden verordening de steden rechtstreeks raakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, EU-Werkingsverdrag. Het EU-Gerecht oordeelde dat die richtlijnbepaling de steden beperkt in de uitoefening van hun bevoegdheden om verkeersbeperkingen op te leggen aan voertuigen vanwege hun vervuilende emissies. De steden worden aldus rechtstreeks geraakt door de verordening die uitvoering beoogt te geven aan die richtlijnbepaling.

De Bondsrepubliek Duitsland (zaak C-177/19 P), Hongarije (zaak C-178/19 P) en de Europese Commissie (zaak C-179/19 P) stelden vervolgens hogere voorzieningen in tegen het arrest van het EU-Gerecht bij het EU-Hof. 

EU-Hof
H et EU- Hof vernietigt het bestreden arrest van het EU-Gerecht. Het EU-Hof geeft in haar uitspraak meer duidelijkheid over het begrip „rechtstreeks geraakte persoon”, dat als voorwaarde wordt gesteld voor de ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring dat door een regionale entiteit (in dit geval: de steden) van een lidstaat wordt ingesteld tegen een handeling van de Europese Unie. Het EU-Hof verklaart de door de verzoekende steden ingestelde beroepen tot nietigverklaring niet-ontvankelijk.

Het EU-Hof brengt in herinnering dat een regionale of lokale entiteit met rechtspersoonlijkheid, net als andere rechtspersonen of als natuurlijke personen, uitsluitend een beroep tegen een handeling van de EU kan instellen indien zij valt onder één van de in artikel 263, vierde alinea, EU-Werkingsverdrag bedoelde gevallen. Daarbij is vereist dat de betrokken persoon of entiteit rechtstreeks door de beoogde handeling wordt geraakt.

Een regionale entiteit kan rechtstreeks worden geraakt door de betrokken handeling wanneer   voldaan is aan twee cumulatieve criteria. Ten eerste moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van die regionale autoriteit. Ten tweede mag de maatregel geen beoordelingsbevoegdheid laten aan de adressaten die met de uitvoering ervan zijn belast.

Het EU-Hof gaat na of artikel 4, lid 3, tweede alinea, van richtlijn 2007/46 , de verzoekende steden daadwerkelijk verhindert om hun bevoegdheden uit te oefenen om het verkeer van private voertuigen te regelen teneinde vervuiling te bestrijden. Ook gaat het EU-Hof na of, gezien de samenhang tussen die bepaling en de omstreden verordening, de steden moeten worden geacht rechtstreeks door die verordening te worden geraakt. Artikel 4, lid 3, tweede alinea bepaalt dat de lidstaten de registratie, de verkoop, de ingebruikneming of het in het verkeer brengen van voertuigen die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, niet mogen verbieden, beperken of belemmeren.

Wat betreft het verbod om het „in het verkeer brengen” van bepaalde voertuigen te beperken, oordeelt het EU-Hof dat deze bepaling niet uitsluitend betrekking heeft op het verkeer van voertuigen op het grondgebied van een lidstaat, maar ook op andere activiteiten zoals de registratie, verkoop en ingebruikneming van voertuigen. Dergelijke beperkingen vormen een algemene belemmering voor de toegang tot de voertuigmarkt.

Het EU-Hof wijst erop dat de verplichtingen die de richtlijn aan de lidstaten oplegt, betrekking hebben op het in de handel brengen van motorvoertuigen en niet op het latere verkeer ervan. Ook oordeelt het EU-Hof dat artikel 4, lid 3, tweede alinea van de richtlijn weliswaar lidstaten een negatieve verplichting oplegt om het in het verkeer brengen van voertuigen die voldoen aan de voorwaarden van de richtlijn niet te verbieden, beperken of belemmeren. De eerste alinea van die bepaling legt lidstaten ook een positieve verplichting op waarmee zij voertuigen kunnen registreren en de verkoop en ingebruikneming ervan kunnen toestaan, zonder dat er sprake is van deelname aan het wegverkeer. Het EU-Hof oordeelt, anders dan het EU-Gerecht, dat de reikwijdte van de negatieve verplichting niet groter kan zijn dan die van de positieve verplichting, aangezien de twee alinea’s elkaar aanvullen. Tot slot oordeelt het EU-Hof dat de verzoekende steden niet beschikken over bevoegdheden voor de goedkeuring van voertuigen.


Richtlijn 2007/46 heeft tot doel een uniforme procedure voor de goedkeuring van nieuwe voertuigen in te stellen en daarmee de totstandbrenging en de werking van de interne markt te verzekeren, alsmede een hoog niveau van verkeersveiligheid te waarborgen door de technische vereisten inzake met name de constructie van voertuigen volledig te harmoniseren. Uit de ontstaansgeschiedenis van
artikel 4, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn blijkt daarnaast dat het verbod op belemmering van het „in het verkeer brengen” van bepaalde voertuigen niet bedoeld was om de werkingssfeer van de regeling voor goedkeuring van voertuigen te verbreden. Het verbod beoogde volgens het EU-Hof uitsluitend te voorkomen dat lidstaten zich niet zouden houden aan het verbod om zich te verzetten tegen de markttoegang van voertuigen die voldoen aan de eisen van de toepasselijke regelgeving. Het EU-Hof oordeelt dat de uitleg van het EU-Gerecht erop neerkomt dat een brede werkingssfeer wordt toegekend aan artikel 4, lid 3, tweede alinea, van de richtlijn ter ondersteuning van de conclusie dat die bepaling een belemmering vormt van bepaalde lokale verkeersbeperkingen die met name bedoeld zijn om het milieu te beschermen . Die uitleg strookt volgens het EU-Hof niet met de context van die bepaling, niet met de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt en niet met de ontstaansgeschiedenis van die bepaling.

Het EU-Hof oordeelt dat het EU-Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de omstreden verordening de verzoekende steden rechtstreeks raaktin de zin van artikel 263, vierde alinea, EU-Werkingsverdrag . Daarnaast benadrukt het EU-Hof dat de vaststelling van een regeling waarbij het plaatselijk verkeer van bepaalde voertuigen wordt beperkt om het milieu te beschermen, niet in strijd kan zijn met het verbod op belemmering van het in het verkeer brengen van bepaalde voertuigen van de omstreden verordening. Daardoor kan die verordening volgens het EU-Hof ook niet rechtstreeks van invloed zijn op de mogelijkheid om een beroep wegens niet-nakoming in te stellen.

Meer informatie: