Contentverzamelaar

EU-Hof: Subsidiaire bescherming voor gefolterde wanneer herkomstland medische zorg ontzegt
De subsidiaire beschermingsstatus kan worden verleend aan een persoon met een ernstig suicide-risico vanwege het trauma van eerdere foltering, wanneer een reëel risico bestaat dat zijn herkomstland hem opzettelijk de zorg ontzegt die passend is om de lichamelijke of geestelijke nawerkingen van die foltering te behandelen. Dit heeft het EU-Hof geantwoord op een vraag van het Britse Supreme Court.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 april in zaak C-353/16 MP.

MP is onderdaan van Sri Lanka en in 2005 als student naar het VK gekomen. In 2009 heeft hij daar een asielverzoek ingediend. Hij voert aan dat hij als lid van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE, bekend als de Tamil Tijgers), werd gevangengehouden en gefolterd door de Sri Lankaanse veiligheidsdiensten en bij terugkeer het risico loopt opnieuw te worden mishandeld. Het asielverzoek is afgewezen. MP heeft in de beroepsprocedure tegen de afwijzing aan de hand van medisch bewijs aangetoond dat hij als gevolg van de folteringen aan een posttraumatische stressstoornis en een depressie leed. Dit beroep dat was gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag en de richtlijn 2004/83 (hierna de richtlijn subsidiaire bescherming) is door het Upper Tribunal verworpen omdat niet was aangetoond dat MP nog steeds werd bedreigd in zijn land van herkomst. Diezelfde rechter was wel van oordeel dat terugkeer van MP naar Sri Lanka in strijd zou zijn met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) omdat hij daar niet de passende zorg kon krijgen voor de behandeling van zijn psychische aandoening. De Supreme Court stelt het Hof de vraag of een onderdaan van een derde land die nog steeds de gevolgen ondervindt van een eerdere foltering in zijn land van herkomst, maar niet meer het risico loopt op een dergelijke behandeling indien hij terugkeert naar dat land, in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming omdat het gezondheidsstelsel in dat land zijn psychische aandoeningen niet passend kan behandelen.

Het EU-Hof stelt voorop dat een persoon die in het verleden slachtoffer is geweest van foltering door de autoriteiten van zijn land van herkomst maar in geval van terugkeer naar dat land niet langer een dergelijk risico loopt alleen op grond van die eerdere foltering niet in aanmerking komt voor de subsidiaire bescherming op grond van richtlijn subsidiaire bescherming. De subsidiaire bescherming is bedoeld om personen te beschermen die een reëel risico lopen op ernstige schade in geval van terugkeer naar hun land van herkomst. Er moeten dus zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat bij terugkeer betrokkene in zijn land van herkomst een dergelijk risico zou lopen. Dit is niet het geval wanneer er goede redenen zijn om aan te nemen dat de in het verleden ondergane ernstige schendingen zich niet opnieuw zullen voordoen of niet zullen worden voortgezet.

Het EU-Hof wijst er op dat het in dit geval gaat om een onderdaan van een derde land die als slachtoffer van foltering in het verleden in zijn land van herkomst nog steeds ernstige psychologische gevolgen daarvan ondervindt. Deze gevolgen zouden volgens betrouwbare medische verslagen in geval van terugkeer naar zijn land aanzienlijk verergeren met een ernstig risico op zelfmoord van die persoon.

Het EU-Hof benadrukt dat de richtlijn inzake de subsidiaire beschermingsregeling moet worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met het EU-Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Wanneer de door het Handvest gewaarborgde rechten corresponderen met door het EVRM gegarandeerde rechten zijn de inhoud en reikwijdte van die rechten gelijkwaardig.

In lijn met recente rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens verzet het Handvest zich dan ook tegen de uitwijzing door een lidstaat van een onderdaan van een derde land wanneer die uitwijzing tot een significante en onomkeerbare verergering van de psychische stoornissen bij die persoon leidt, en die verergering, zoals in dit geval levensbedreigend is. Het Hof heeft al geoordeeld dat in zulke uitzonderlijke gevallen de verwijdering van de derdelander het beginsel van non-refoulement en artikel 5 van richtlijn 2008/115 kan schenden.

De prejudiciële vraag betreft echter niet de bescherming tegen verwijdering, maar de vraag of de ontvangende lidstaat verplicht is om in dergelijke uitzonderlijke omstandigheden op grond van richtlijn 2004/83 de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Het Hof herinnert eraan dat de omstandigheid dat het EVRM zich verzet tegen de verwijdering van een onderdaan van een derde land in uitzonderlijke omstandigheden waarin een risico op schending bestaat omdat in het land van herkomst van die onderdaan geen adequate behandeling voorhanden is, niet betekent dat zijn verblijf in een lidstaat op grond van de subsidiaire bescherming moet worden gemachtigd.

Het EU-Hof geeft aan dat de oorzaak van de gezondheidstoestand van de onderdaan van een derde land – de in het verleden ondergane foltering in zijn land – weliswaar een relevant gegeven is, maar dat een aanzienlijke verergering van zijn toestand bij terugkeer op zich niet kan worden beschouwd als een onmenselijke of vernederende behandeling in zijn land van herkomst in de zin van artikel 15 van de richtlijn subsidiaire bescherming. Het EU-Hof heeft daarnaast ook al geoordeeld dat de ernstige schade uit die bepaling niet louter het gevolg kan zijn van de tekortkomingen van het gezondheidsstelsel van het land van herkomst, zolang medische zorg niet opzettelijk wordt geweigerd. Om te beoordelen of er een reeel risico bestaat dat de zorg die passend is om lichamelijke of geestelijke gevolgen van de in het verleden ondergane foltering te behanelen opzettelijk wordt geweigerd moet ook rekening worden gehouden met artikel 14 van het Verdrag tegen foltering.  Volgens die bepaling moeten staten die partij zijn bij dit Verdrag voorzien in genoegdoening voor slachtoffers van foltering, inclusief de middelen voor een zo volledig mogelijk herstel. Het Hof geeft echter aan dat niet iedere schendig van dat Verdrag aanleiding voor het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus. De verwijzende rechter moet in het licht van alle actuele en relevante informatie zoals verslagen van internationale organisaties en ngo’s nagaan of MP in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst het risico loopt dat hem opzettelijk de zorg wordt ontzegd die passend is om de lichamelijke en geestelijke gevolgen te behandelen van de eerdere foltering door de autoriteiten van dat land. Daarvan zou sprake zijn als de autoriteiten in strijd met het Verdrag tegen foltering niet willen instaan voor zijn rehabilitatie of wanneer blijkt dat de autoriteiten discrimineren bij de toegang tot de verlening van gezondheidszorg door de etnische groep waartoe MP behoort moeilijker toegang heeft tot de passende zorg in zijn situatie.