EU-Hof: Toestemming uitvoerende lidstaat eerste EAB niet vereist bij uitbreiding strafvervolging in het kader van tweede EAB van dezelfde uitvaardigende lidstaat

Contentverzamelaar

EU-Hof: Toestemming uitvoerende lidstaat eerste EAB niet vereist bij uitbreiding strafvervolging in het kader van tweede EAB van dezelfde uitvaardigende lidstaat
Door een vrijwillig vertrek uit de uitvaardigende lidstaat is een overgeleverde persoon niet langer beschermd tegen vervolgingen door die lidstaat van strafbare feiten die niet in het Europese aanhoudingsbevel (EAB) waren opgenomen. Indien dezelfde uitvaardigende lidstaat een tweede EAB uitvaardigt ten aanzien van dezelfde persoon hoeft de uitvoerende lidstaat van het eerste EAB geen toestemming te geven voor de uitbreiding van de strafvervolging tot feiten die niet in het tweede EAB waren opgenomen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 24 september 2020 in de zaak C-195/20 PPU, XC tegen Generalbundesanwalt beim Bundesgerichtshof .

In deze zaak is XC in 2016 door de Portugese autoriteiten een eerste maal aan de Duitse autoriteiten overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel (hierna: eerste EAB). Na voltooiing van zijn straf is hij vrijwillig uit Duitsland vertrokken en naar Italië afgereisd. Vervolgens is tegen XC in 2018 een tweede Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd (hierna: tweede EAB) voor andere strafbare feiten. Op grond van het tweede EAB hebben de Italiaanse autoriteiten XC overgeleverd aan Duitsland. XC is hierdoor gedwongen teruggekeerd naar de uitvaardigende lidstaat van het eerste EAB.

In een Europees aanhoudingsbevel moeten expliciet de strafbare feiten worden opgenomen waarvoor de persoon wordt overgeleverd en vervolgd (artikel 8, lid 1, Kaderbesluit EAB ). In dit kader verbiedt het specialiteitsbeginsel dat een overgeleverde persoon wordt vervolgd voor strafbare feiten die niet in het EAB zijn opgenomen (artikel 27, lid 2, Kaderbesluit EAB). De bescherming van het specialiteitsbeginsel wordt opgeheven wanneer de lidstaat, die uitvoering heeft gegeven aan een EAB, instemt met de vervolging van andere strafbare feiten dan die in het EAB zijn opgenomen (artikel 27, lid 3, onder g, Kaderbesluit EAB).

XC is in 2019 in Duitsland veroordeeld voor een verkrachting met verzwarende omstandigheden en afpersing in Portugal. Deze strafbare feiten worden echter niet genoemd in zowel het eerste EAB als het tweede EAB. In beginsel verzet het specialiteitsbeginsel zich tegen de vervolging van deze strafbare feiten, tenzij de uitvoerende lidstaat toestemming heeft gegeven voor de vervolging van deze feiten. Italië heeft als uitvoerende lidstaat in het kader van het tweede EAB toestemming gegeven.

XC stelt in het cassatiemiddel tegen zijn veroordeling dat ook Portugal, als uitvoerende lidstaat van het eerste EAB, toestemming had moeten gegeven voor de vervolging en daarmee de opheffing van de bescherming van het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het tweede EAB. Verder stelt XC dat het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het eerste EAB nog steeds van toepassing is, aangezien zijn vrijwillige vertrek uit de uitvaardigende lidstaat geen invloed heeft gehad op de toepassing van het specialiteitsbeginsel in die uitvaardigende lidstaat.

Omdat Portugal geen toestemming heeft gegeven voor de vervolging stelt XC dat Duitsland niet bevoegd was om hem te vervolgen voor de verkrachting met verzwarende omstandigheden en afpersing. De rechter in deze zaak twijfelt of het nationale aanhoudingsbevel van XC voor de verkrachting en afpersing gehandhaafd dan wel nietig moet worden verklaard. In dit kader vraagt de verwijzende rechter aan het EU-Hof wat de rechtsgevolgen zijn van het vrijwillige vertrek van een persoon van het grondgebied van een uitvaardigende lidstaat en de gedwongen terugkeer van die persoon naar dezelfde uitvaardigende lidstaat voor de toepassing van het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het eerste Europese aanhoudingsbevel. Tevens wil de rechter weten of de uitvoerende lidstaat uit hoofde van het eerste EAB toestemming moet geven voor de opheffing van de bescherming van het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het tweede EAB.

EU-Hof

Het EU-Hof oordeelt met betrekking tot de eerste vraag dat het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het eerste Europese aanhoudingsbevel niet meer van toepassing is. Door het vrijwillige vertrek van XC uit de uitvaardigende lidstaat is de overleveringsprocedure op grond van het eerste Europese aanhoudingsbevel beëindigd. Het specialiteitsbeginsel is volgens het EU-Hof nauw verbonden met de overleveringsprocedure op grond van een specifiek EAB. Als de overlevering op grond van een specifiek EAB eindigt, kan ook het specialiteitsbeginsel uit hoofde van dat specifieke EAB niet meer worden ingeroepen.

In relatie tot de tweede vraag oordeelt het EU-Hof dat deze zaak zich volledig afspeelt in het kader van de overlevering op grond van het tweede EAB, aangezien de overlevering op grond van het eerste EAB is geëindigd. Het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het eerste EAB kan in dit verband geen rol spelen bij de overleveringsprocedure op grond van het tweede EAB. De overleveringsprocedure op grond van het tweede EAB is namelijk nauw verbonden met het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het tweede EAB en laat geen ruimte voor de toepassing van het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het eerste EAB. Een andere uitleg zou betekenen dat zowel de toestemming van de uitvoerende lidstaat van het eerste EAB als de uitvoerende lidstaat van het tweede EAB zou moeten worden gevraagd. Het EU-Hof oordeelt dat een dergelijke situatie in strijd is met de doeltreffendheid van de overleveringsprocedure. De uitvoerende lidstaat uit hoofde van het eerste EAB hoeft dus geen toestemming te geven voor de opheffing van de bescherming van het specialiteitsbeginsel uit hoofde van het tweede EAB.

Meer informatie: