EU-Hof: Uitlevering van mobiele EU-burger aan derde land pas mogelijk na raadpleging van de EU-lidstaat waarvan het de nationaliteit heeft

Contentverzamelaar

EU-Hof: Uitlevering van mobiele EU-burger aan derde land pas mogelijk na raadpleging van de EU-lidstaat waarvan het de nationaliteit heeft
Een EU-lidstaat die een mobiele EU-burger aan een derde land wil uitleveren moet eerst alle bij het uitleveringsverzoek verstrekte feitelijke en juridische gegevens overhandigen aan de EU-lidstaat van de nationaliteit. De EU-lidstaat van de nationaliteit moet vervolgens een redelijke termijn krijgen om tegen die mobiele EU-burger een EAB uit te vaardigen. Na het verstrijken van deze redelijke termijn is uitlevering van de mobiele EU-burger aan het derde land toegestaan. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 17 december 2020 in de zaak C-398/19, Generalstaatsanwaltschaft Berlin .

Achtergrond

BY, een Oekraïens en Roemeens onderdaan, is geboren in Oekraïne en heeft daar gewoond tot zijn verhuizing naar Duitsland in 2012. In 2014 heeft BY, als afstammeling van Roemeense onderdanen, op zijn verzoek het Roemeense staatsburgerschap verkregen. Hij heeft echter nooit in Roemenië gewoond. In maart 2016 heeft Oekraïne de Duitse autoriteiten (EU-lidstaat) verzocht om BY uit te leveren.

Het EU-Hof heeft in de zaak C-182/15 (Petruhhin) geoordeeld dat een EU-burger die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer ongelijk wordt behandeld wanneer diens EU-lidstaat van verblijf zijn eigen onderdanen niet uitlevert aan derde landen, maar andere EU-burgers wel ( artikel 18 EU-Werkingsverdrag ). Een dergelijke ongelijke behandeling kan een beperking vormen van het vrij verkeer ( artikel 21 EU-Werkingsverdrag ), omdat EU-burgers in de lidstaat van verblijf geen bescherming zouden genieten tegen uitlevering en daardoor zouden kunnen worden ontmoedigd om naar die lidstaat af te reizen.

Het EU-Hof oordeelde in de zaak C-182/15 verder dat de EU-lidstaat die om uitlevering wordt verzocht (hierna: aangezochte EU-lidstaat) moet onderzoeken of er geen alternatieve maatregel voor handen is die minder beperkend is voor het recht op vrij verkeer, zoals de uitvaardiging van een EAB en de vervolging van die persoon door de EU-lidstaat waarvan die persoon de nationaliteit heeft (hierna: EU-lidstaat van de nationaliteit). De aangezochte lidstaat moet alle gegevens verstrekken die voor de EU-lidstaat van de nationaliteit nuttig kunnen zijn om te beoordelen of een EAB moet worden uitgevaardigd (“informatieverplichting”). Vervolgens kan de aangezochte EU-lidstaat pas overgaan tot uitlevering aan een derde land wanneer de EU-lidstaat van de nationaliteit heeft vastgesteld dat zij geen EAB zal uitvaardigen.

BY is door een Duitse rechter in uitleveringsdetentie geplaatst. Deze Duitse rechter heeft enige twijfels over de uitlevering vanwege de zaak C-182/15 en vraagt aan het EU-Hof of de artikelen 18 en 21 EU-Werkingsverdrag en de uitgangspunten uit de zaak C-182/15 van toepassing zijn, omdat BY de Roemeense nationaliteit pas na zijn vestiging in Duitsland heeft verkregen en daardoor geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer op grond van het EU-recht.

Daarnaast wil de rechter weten of de in de zaak C-182/15 geformuleerde informatieverplichting EU-lidstaten verplicht om het derde land te verzoeken om overhandiging van het strafdossier, aangezien de Roemeense autoriteiten hebben aangegeven meer bewijsmateriaal nodig te hebben om te kunnen beoordelen of zij een EAB willen uitvaardigen.

Tenslotte wil de rechter weten of de aangezochte lidstaat op grond van het EU-recht verplicht is om de strafvervolging van het derde land over te nemen wanneer het nationale recht van de aangezochte lidstaat daarin voorziet.

EU-Hof

Toepasselijkheid artikelen 18 en 21 EU-Werkingsverdrag

Het EU-Hof oordeelt ten eerste dat de artikelen 18 en 21 EU-Werkingsverdrag van toepassing zijn op de situatie van een EU-burger die onderdaan is van een EU-lidstaat (Roemenië) en op het grondgebied van een andere EU-lidstaat (Duitsland) verblijft en ten aanzien van wie door een derde land (Oekraïne) bij die laatste lidstaat een uitleveringsverzoek is ingediend. De artikelen zijn volgens het EU-Hof zelfs van toepassing wanneer die EU-burger het centrum van zijn belangen naar een andere EU-lidstaat (Duitsland) heeft verplaatst op een moment (2012) dat hij de hoedanigheid van EU-burger nog niet bezat. BY heeft namelijk pas in 2014 de Roemeense nationaliteit en daarmee het EU-burgerschap en de daaraan verbonden vrij verkeersrechten verkregen.

Informatieverplichting

Volgens het EU-Hof is voldaan aan de informatieverplichting, zoals geformuleerd in de zaak C-182/15, wanneer de aangezochte lidstaat alle door het derde land verstrekte juridische en feitelijke gegevens heeft overhandigd aan de lidstaat van de nationaliteit, alsmede elke wijziging van de situatie van de opgeëiste persoon die relevant is voor de eventuele uitvaardiging van een EAB.

Het EU-Hof oordeelt verder dat deze informatieverplichting niet zover gaat dat zowel de EU-lidstaat van de nationaliteit (Roemenië) als de aangezochte EU-lidstaat (Duitsland) verplicht zijn om het derde land te verzoeken om overhandiging van een afschrift van het strafdossier. De EU-lidstaat van de nationaliteit, die moet beoordelen of hij een EAB wil uitvaardigen, kan volgens het EU-Hof het derde land wel zelf verzoeken om een afschrift van het strafdossier.

Het EU-Hof oordeelt eveneens dat de aangezochte EU-lidstaat de opgeëiste persoon mag uitleveren wanneer de EU-lidstaat van de nationaliteit niet binnen een redelijke termijn een EAB uitvaardigt. Volgens het EU-Hof is het niet nodig dat deze EU-lidstaat van de nationaliteit een formeel besluit vaststelt dat het geen EAB zal uitvaardigen. Bij de vaststelling van een redelijke termijn moet volgens het EU-Hof wel rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval en in het bijzonder met het feit dat de opgeëiste persoon mogelijk op grond van de uitleveringsprocedure in hechtenis wordt genomen.

Vervolging door aangezochte EU-lidstaat

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat de artikelen 18 en 21 EU-Werkingsverdrag de aangezochte lidstaat niet verplichten om de uitlevering van de EU-burger aan het derde land te weigeren en om de strafvervolging over te nemen, wanneer zijn nationale recht het toelaat dat buitenlandse onderdanen worden vervolgd voor strafbare feiten die buiten het eigen grondgebied zijn gepleegd.

Volgens het EU-Hof zou een dergelijke verplichting om de uitlevering te weigeren en de strafvervolging over te nemen tot gevolg hebben dat de aangezochte lidstaat niet zelf kan beoordelen of het opportuun is om die EU-burger op grond van het nationale recht te vervolgen. Een dergelijke verplichting gaat verder dan de grenzen die het EU-recht stelt aan de beoordelingsbevoegdheid van een lidstaat ten aanzien van de opportuniteit van strafrechtelijke vervolgingen.

Meer informatie:

  • ECER-dossier : Gelijke kansen
  • ECER-dossier : Recht van vrij verkeer en verblijf
  • ECER-bericht : Europees aanhoudingsbevel heeft voorrang boven verzoek om uitlevering aan derde land (12 september 2016)