EU-Hof: unanimiteitsvereiste binnen de Raad voor verlenging van aanspraken in het kader van vrijhandelsovereenkomst EU-Korea is onwettig

Contentverzamelaar

EU-Hof: unanimiteitsvereiste binnen de Raad voor verlenging van aanspraken in het kader van vrijhandelsovereenkomst EU-Korea is onwettig
Het vereisen van unanimiteit binnen de Raad bij de vaststelling van een besluit tot wijziging van een internationale overeenkomst is alleen toegestaan in het geval de overeenkomst een beleidsterrein betreft waarvoor interne EU-handelingen met unanimiteit moeten worden vastgesteld. Het in het kader van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Korea verleende recht tot verlenging van de aanspraak op bepaalde regelingen ter bevordering van culturele inhoud, valt niet onder een dergelijk beleidsterrein. Dat is het antwoord van het EU-Hof op het door de Commissie ingestelde beroep tot nietigverklaring tegen een Raadsbesluit.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 maart 2022 in de zaak C-275/20, Accord avec la République de Corée.

Achtergrond

In artikel 5, lid 3 van het Protocol betreffende culturele samenwerking, dat is gevoegd bij de Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU (en haar lidstaten) en de Republiek Korea, is door de partijen overeengekomen om aan audiovisuele coproducties tussen producenten uit de EU en de Republiek Korea het recht te verlenen om aanspraak te maken op de respectievelijke regelingen van de partijen ter bevordering van plaatselijke en regionale culturele inhoud (hierna: recht op aanspraak). Het recht op aanspraak moet op grond van artikel 5, lid 8, onder b van het Protocol om de drie jaar worden vernieuwd.  

De Raad heeft de Vrijhandelsovereenkomst en het bijbehorende Protocol bij Besluit 2015/2169 goedgekeurd namens de EU. Besluit 2015/2169 macht de Commissie ingevolge artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag om het recht van aanspraak op te zeggen, tenzij haar standpunt is dat de aanspraak moet voortduren en de Raad dit goedkeurt in een specifieke procedure (overweging 6 en artikel, 3 lid 1). Besluit 2020/470 van de Raad, dat is vastgesteld op basis van artikel 3, lid 1 van besluit 2015/2169, bepaalt dat de duur van het recht van aanspraak wordt verlengd met drie jaar, te rekenen van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2023.

De Europese Commissie heeft beroep tot nietigverklaring ingesteld bij het EU-Hof tegen Besluit 2020/470. De Europese Commissie voerde aan dat het besluit niet mocht worden vastgesteld op grond van artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 (afgeleide rechtsgrondslag), die eenparigheid van stemmen in de Raad vereist en de deelname van het Europees Parlement uitsluit. Volgens de Commissie vormde artikel 218, lid 6, onder a, sub v van het EU-Werkingsverdrag een passende rechtsgrondslag. Die rechtsgrondslag bepaalt in samenhang met artikel 218, lid 8, eerste alinea, EU-Werkingsverdrag dat de Raad, na goedkeuring van het Parlement, besluit met gekwalificeerde meerderheid.

De Raad beargumenteerde echter dat Besluit 2020/470 niet is gebaseerd op een afgeleide rechtsgrondslag (artikel 3, lid 1, Besluit 2015/2169), maar rechtstreeks op artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag. De Commissie was van mening dat artikel 3, lid 1, van besluit 2015/2169 niet kan worden beschouwd als een geval van toepassing van artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag.

EU-Hof

Het EU-Hof stelt in de eerste plaats vast dat de in artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 bedoeld besluitvormingsprocedure artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag als rechtsgrondslag heeft. Volgens het EU-Hof moet daarom worden onderzocht of die besluitvormingsprocedure binnen de werkingssfeer van artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag valt en verenigbaar is met artikel 218 van het EU-Werkingsverdrag, voor zover die procedure voor de verlenging van het recht van aanspraak eenparigheid van stemmen (‘unanimiteit’) binnen de Raad vereist.

Werkingssfeer artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag

Krachtens artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag kan de Raad, bij de sluiting van een overeenkomst de onderhandelaar machtigen om de (I) wijzigingen die krachtens de overeenkomst (II) volgens een vereenvoudigde procedure of door een bij de overeenkomst opgericht orgaan worden aangenomen, namens de EU goed te keuren. Dat artikel bepaalt bovendien dat de Raad aan een dergelijke machtiging (III) bijzondere voorwaarden kan verbinden.

Het EU-Hof oordeelt ten eerste dat de besluitvormingsprocedure van artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 de Commissie machtigt om wijzigingen aan de vrijhandelsovereenkomst en het protocol goed te keuren. De Commissie kan namelijk besluiten tot niet-verlenging van dit recht. Een dergelijke niet-verlenging komt neer op de afschaffing van een recht dat in het Protocol is neergelegd en daarom moet die afschaffing als een wijziging van het Protocol bij de Vrijhandelsovereenkomst worden beschouwd.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat het Protocol voorziet in een vereenvoudigde procedure om wijzigingen vast te stellen. Volgens het EU-Hof volstaat het, ter beëindiging van het recht op aanspraak, dat een partij bij de overeenkomst dit recht ten minste drie maanden voor het verstrijken van een verlengingsperiode schriftelijk opzegt, bij gebreke waarvan dit recht automatisch wordt verlengd.

Verder oordeelt het EU-Hof dat de Raad bij de vaststelling van artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 bijzondere voorwaarden heeft verbonden aan de aan de Commissie verleende machtiging. Eén van die voorwaarden is dat de Commissie, wanneer zij het recht op aanspraak wil verlengen, vier maanden voor het verstrijken van de lopende periode bij de Raad een voorstel tot verlenging moet indienen.

Uit het voorgaande volgt volgens het EU-Hof dat de besluitvormingsprocedure van artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 binnen de werkingssfeer van artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag valt.

Vereiste van eenparigheid van stemmen (unanimiteit)

Het EU-Hof stelt vast dat artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag geen enkele stemregel bevat voor de vaststelling door de Raad van besluiten. In die omstandigheden moet de toepasselijke stemregel aan de hand van artikel 218, lid 8 van het EU-Werkingsverdrag worden bepaald.

Het EU-Hof oordeelt dat een unanimiteitsvereiste bij de vaststelling van een besluit op grond van artikel 218, lid 7 van het EU-Werkingsverdrag alleen is toegestaan in het geval de overeenkomst een gebied betreft waarvoor interne EU-handelingen met unanimiteit (‘eenparigheid van stemmen’) moeten worden vastgesteld. Het recht van aanspraak in deze zaak valt niet onder een dergelijk gebied. De besluitvormingsprocedure van artikel 3, lid 1 van Besluit 2015/2169 is daarom niet in overeenstemming met artikel 218 EU-Werkingsverdrag, voor zover zij unanimiteit binnen de Raad vereist. Besluit 2020/470 had moeten worden vastgesteld met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.  

Het EU-Hof verklaart Besluit 2020/470 nietig, aangezien dit besluit vanwege het unanimiteitsvereiste binnen de Raad niet is vastgesteld in overeenstemming met artikel 218 van het EU-Werkingsverdrag. De gevolgen van het besluit worden gehandhaafd totdat de vastgestelde gronden voor nietigverklaring zijn weggenomen.

Meer informatie: