EU-Hof: verbod op pulskorvisserij kan in stand blijven

Contentverzamelaar

EU-Hof: verbod op pulskorvisserij kan in stand blijven
De EU-wetgever beschikt over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid in overeenstemming met de bij het EU-Werkingsverdrag toegekende politieke verantwoordelijkheden op het gebied van visserij. Dit brengt met zich mee dat het in EU Verordening 2019/1241 vastgestelde verbod op pulskorvisserij in kan stand blijven. De EU-wetgever is niet verplicht om de keuze om dat verbod in te stellen uitsluitend te baseren op onderliggende wetenschappelijke en technische adviezen. Uit de doelstelling in het EU-Verdrag dat de EU de wetenschappelijke en technische vooruitgang bevordert kan niet worden afgeleid dat de EU-wetgever verplicht is om elke nieuwe techniek op te nemen in een wetgevingshandeling, enkel omdat die techniek innovatief is. Dat is de uitspraak van het EU-Hof op het door Nederland ingestelde beroep tegen het verbod op puls(kor)visserij.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 15 april 2021 in de zaak C-733/19 .

Achtergrond
Nederland heeft beroep bij het EU-Hof ingesteld tot nietigverklaring van het verbod op bepaalde visvangstmethoden uit EU-Verordening 2019/1241 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen . Op grond van die verordening wordt per 1 juli 2021 onder meer het vissen met schepen die gebruik maken van een zogenaamde elektrische pulskor (stroomstoten waardoor vissen naar visnetten worden gedreven) in alle EU-wateren verboden.

Nederland voert aan dat de EU-wetgever zich bij de vaststelling van de in Verordening 2019/1241 opgenomen technische maatregelen (hierna: „bestreden technische maatregelen”) niet heeft gebaseerd op het best beschikbare wetenschappelijke advies. In het bijzonder doelt Nederland daarbij op het ICES-advies van 30 mei 2018 over de vergelijking van de ecologische en milieueffecten van pulskorvisserij en conventionele boomkorvisserij bij de exploitatie van de Noordzeetong. Uit dat advies blijkt dat bij pulskorvisserij minder ecologische- en milieueffecten optreden dan bij de traditionele boomkorvisserij, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van elektrische stroomstoten. Nederland stelt dat de EU-wetgever, door dit advies te negeren, het voorzorgsbeginsel - op grond waarvan de EU-wetgever beschermende maatregelen kan nemen zonder dat hoeft te worden gewacht tot de realiteit en de ernst van deze risico’s volledig zijn aangetoond - onjuist heeft toegepast.

Ook betoogt Nederland dat de bestreden bepalingen in strijd zijn met  artikel 3, lid 3, EU-Verdrag in samenhang met artikel 11 en artikel 173, leden 1 en 3, EU-Werkingsverdrag en artikel 2, artikel 3, onder h en artikel 6, lid 2, van EU-Verordening 1380/2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid alsmede met artikel 3, lid 1, van verordening 2019/1241, omdat bij de vaststelling van de bestreden bepalingen niet is voldaan aan de verplichting om innovatie en technologische ontwikkeling te stimuleren.

EU-Hof
Het EU-Hof merkt het volgende op inzake het Nederlandse standpunt dat het verbod moet zijn gebaseerd op het best beschikbare wetenschappelijk advies. N och uit artikel 3, lid 3, EU-Verdrag, noch uit artikel 11 EU-Werkingsverdrag kan worden afgeleid dat de EU-wetgever verplicht is om zijn wetgevende keuzes inzake de technische maatregelen waarin verordening 2019/1241 voorziet, uitsluitend te baseren op de beschikbare wetenschappelijke en technische adviezen.

Bovendien beschikt de EU-wetgever op visserijgebied over een ruime beoordelingsbevoegdheid die in overeenstemming is met de hem bij de artikelen 40 tot en met 43 EU-Werkingsverdrag toegekende politieke verantwoordelijkheden. Daarom dient het toezicht van de EU-rechter zich volgens het EU-Hof te beperken tot het onderzoek of bij de vaststelling van de betrokken maatregel geen kennelijke vergissing is begaan of misbruik van bevoegdheid is gemaakt, dan wel of deze wetgever de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk heeft overschreden. Aan de rechtmatigheid van een op het gebied van de visserij vastgestelde maatregel kan slechts worden afgedaan wanneer de maatregel kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de EU-wetgever nagestreefde doel.

Volgens het EU-Hof blijkt echter niet dat de bestreden technische maatregelen kennelijk ongeschikt zijn. In dit verband moet worden opgemerkt dat de bestreden technische maatregelen in overeenstemming met artikel 2 van verordening 1380/2013 zijn vastgesteld in het licht van de gemengde conclusies van de wetenschappelijke (onder meer ICES-) adviezen en na afweging van de verschillende betrokken aspecten. Uit niets kan volgens het EU-Hof worden opgemaakt dat de EU-wetgever met de vaststelling van de bestreden technische maatregelen een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Hoewel de beschikbare wetenschappelijke en technische studies niet op alle punten hetzelfde oordeel bevatten over de mate waarin de visserij met een elektrische pulskor negatieve gevolgen heeft, wordt bovendien nergens vermeld dat een dergelijke visserijmethode helemaal geen negatieve gevolgen heeft voor het milieu. Geen enkel advies sluit in die zin het bestaan van negatieve gevolgen voor het milieu bij pulskorvisserij volledig uit.

Het EU-Hof merkt het volgende op ten aanzien van de stelling dat niet is voldaan aan de verplichting om innovatie en technologische ontwikkeling te stimuleren. Artikel 3, lid 3, eerste alinea, laatste volzin, EU-Verdrag bepaalt weliswaar dat de EU- de wetenschappelijke en technische vooruitgang bevordert, maar  uit deze doelstelling van de EU kan volgens het EU-Hof niet worden afgeleid dat de wetgever verplicht is om elke nieuwe techniek op te nemen in een wetgevingshandeling (in dit geval verordening 2019/1241), enkel omdat die techniek innovatief is.

Het EU-Hof oordeelt dat artikel 11 EU-Werkingsverdrag,  waarin is bepaald dat de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, geen verplichting bevat om innovatie en technologische ontwikkeling te stimuleren.

Het EU-Hof oordeelt  dat artikel 173 EU-Werkingsverdrag deel uitmaakt van titel XVII (met het opschrift Industrie) van het derde deel van het EU-Werkingsverdrag, betreffende het beleid en intern optreden van de Unie. Het eerste lid van artikel 173 EU-Werkingsverdrag bepaalt dat de EU en de lidstaten er zorg voor dragen dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de EU, aanwezig zijn. Het artikel preciseert dat hun optreden hiertoe onder meer erop gericht moet zijn een betere benutting van het industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren. Het derde lid van  artikel 173 EU-Werkingsverdrag benadrukt dat de EU bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 1 door middel van haar beleid en het optreden uit hoofde van andere bepalingen van de EU-Verdragen.

Artikel 3, onder h van verordening 1380/2013 noemt het vereiste van consistentie van het Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB) met andere beleidsgebieden van de EU- weliswaar als één van de beginselen van goed bestuur waardoor het GVB wordt geleid, maar dat vereiste kan volgens het EU-Hof niet impliceren dat artikel 173, lid 3, EU-Werkingsverdrag moet worden beschouwd als een bron van autonome positieve verplichtingen op het gebied van het GVB.

In elk geval geeft hoofdstuk IV van verordening 2019/1241 (met opschrift Wetenschappelijk onderzoek, rechtstreekse uitzetting en overbrenging) volgens het EU-Hof blijk van de zorg van de EU-wetgever voor innovatie. Dit is met name op te maken uit artikel 25, lid 1, onder f), van deze verordening, dat uitdrukkelijk bepaalt dat de daarin vastgestelde technische maatregelen -  waaronder de bestreden technische maatregelen vallen - niet van toepassing zijn op visserijactiviteiten die worden uitgevoerd ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.

Meer informatie:
ECER-dossier: Visserij