EU-Hof: verdachte of beklaagde tegen wie inreisverbod is uitgevaardigd moet strafproces kunnen bijwonen

Contentverzamelaar

Terug EU-Hof: verdachte of beklaagde tegen wie inreisverbod is uitgevaardigd moet strafproces kunnen bijwonen

Een inreisverbod ontneemt een verdachte of beklaagde elke reële mogelijkheid om zijn recht om het strafproces bij te wonen daadwerkelijk uit te oefenen. De lidstaten moeten maatregelen treffen die het voor de verdachte of beklaagde mogelijk maken om het grondgebied te betreden en het strafproces bij te wonen. De Terugkeerrichtlijn biedt de nationale autoriteiten de mogelijkheid om in een dergelijk geval het inreisverbod te schorsen of in te trekken. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Bulgaarse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 15 september 2022 in de zaak C-420/20, HN.

Achtergrond

Het gaat in deze zaak om de Albanese staatsburger HN, die door de Bulgaarse strafrechtelijke autoriteiten wordt vervolgd wegens het plegen van een ernstig strafbaar feit (het gebruik van valse ambtelijke buitenlandse identiteitsdocumenten). De bepalingen van het Bulgaarse wetboek van strafvordering vereisen dat HN bij de terechtzitting in Bulgarije aanwezig is. Tegelijkertijd is HN op grond van een terugkeerbesluit verwijderd naar zijn land van herkomst (Albanië) en is ten aanzien van HN voor de duur van vijf jaar een inreisverbod opgelegd. 

Door het inreisverbod wordt betrokkene belet om bij de terechtzitting in Bulgarije aanwezig te zijn, ook al is hij daartoe verplicht op grond van de bepalingen van het Bulgaarse wetboek van strafvordering en is hij daartoe eveneens gerechtigd krachtens artikel 8, lid 1 van richtlijn 2016/343 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (hierna: de richtlijn).

Doordat HN op grond van het tegen hem uitgevaardigde terugkeerbesluit was teruggeleid naar zijn land van herkomst, kon HN niet naar behoren worden geïnformeerd over de tegen hem ingestelde gerechtelijke procedure. Tegen deze achtergrond heeft de bevoegde rechter in die procedure vragen aan het EU-Hof gesteld over het in artikel 8 van de richtlijn neergelegde recht van een verdachte om bij zijn terechtzitting aanwezig te zijn en over de mogelijkheid voor de verdachte om van dat recht afstand te doen.

EU-Hof

Verplichting om bij de terechtzitting aanwezig te zijn

Het EU-Hof oordeelt in de eerste plaats dat artikel 8, lid 1 van de richtlijn zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan verdachten en beklaagden in een strafprocedure verplicht worden om bij hun terechtzitting aanwezig te zijn. In dit kader benadrukt het EU-Hof dat de richtlijn geen regeling bevat voor de kwestie of de lidstaten de verschijning van de verdachte of beklaagde ter terechtzitting kunnen eisen en dat die kwestie – gelet op de beperkte draagwijdte van de door die richtlijn gerealiseerde harmonisatie – een zaak van uitsluitend nationaal recht is.

Volgens het EU-Hof biedt de richtlijn de lidstaat weliswaar de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een proces te houden in afwezigheid van de betrokken verdachte of beklaagde, maar verplicht die richtlijn de lidstaten niet om een dergelijke mogelijkheid in hun nationale recht op te nemen.

Recht om bij het strafproces aanwezig te zijn en inreisverbod

Het EU-Hof benadrukt dat lidstaten kunnen voorzien in de mogelijkheid dat een proces in afwezigheid van de verdachte of beklaagde plaatsvindt, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (artikel 8, lid 2 van de richtlijn). Die voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het houden van een terechtzitting, hebben tot doel om de uitoefening van de in de vorige zin bedoelde mogelijkheid te beperken tot situaties waarin betrokkene een reële mogelijkheid heeft gehad om het proces bij te wonen en vrijwillig en ondubbelzinnig afstand van dat recht heeft gedaan.

Een lidstaat die de betrokkene enkel in kennis stelt van het feit dat zijn proces zal plaatsvinden, zonder te voorzien in maatregelen om hem, ondanks het inreisverbod, toch tot het grondgebied toe te laten, ontneemt deze persoon elke reële mogelijkheid om zijn recht om het proces bij te wonen daadwerkelijk uit te oefenen, zodat de in artikel 8, lid 2 van de richtlijn gestelde voorwaarden volgens het EU-Hof volledig nutteloos worden. Een dergelijke situatie verschilt van de situatie waarin de betrokkene vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doet van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn.

Tenslotte oordeelt het EU-Hof dat de Terugkeerrichtlijn de lidstaten een ruime beoordelingsmarge laat om te bepalen in welke gevallen het volgens hen passend is om een aan een terugkeerbesluit verbonden inreisverbod in te trekken of te schorsen. De lidstaten kunnen een dergelijk inreisverbod intrekken of schorsen om een verdachte of beklaagde in staat te stellen zich naar hun grondgebied te begeven om bij zijn proces aanwezig te zijn.

Meer informatie: