EU-Hof verduidelijkt wanneer sprake is van een werkelijk gezinsleven in het kader van gezinshereniging

Contentverzamelaar

EU-Hof verduidelijkt wanneer sprake is van een werkelijk gezinsleven in het kader van gezinshereniging
Een bloedverwantschap van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn is op zich niet voldoende voor de vaststelling van het bestaan van een werkelijk gezinsleven in de situatie dat ouders gezinshereniging beogen met een vluchteling die meerderjarig is geworden voordat op het verzoek om gezinshereniging is beslist. Het feit dat betrokkenen voornemens zijn om elkaar incidenteel te bezoeken en regelmatig contact van welke aard dan ook met elkaar te hebben, kan voldoende zijn om een werkelijk gezinsleven tussen betrokkenen te kunnen vaststellen. Het is niet noodzakelijk dat de gezinshereniger en de betrokken ouder in één huishouden samenwonen of onder hetzelfde dak wonen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Duitse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 augustus 2022 in de gevoegde zaken C-273/20 en C-355/20, Bundesrepublik Deutschland.

Achtergrond

SW en BL en BC hebben de Syrische nationaliteit en zij hebben bij de Duitse ambassade in Beiroet (Libanon) nationale visa aangevraagd met het oog op gezinshereniging met hun zonen, die de status van erkend vluchteling in Duitsland genieten. De ambassade heeft de verzoeken afgewezen omdat de zonen van SW, BL en VC op het tijdstip waarop de beslissing over het verzoek om gezinshereniging is genomen, meerderjarig waren (geworden).

SW, BL en BC stelde bij de rechter beroep in tegen de beslissing van de ambassade. Die rechter gelastte dat nationale visa moesten worden verleend aan SW, BL en VC, op grond dat hun zonen als minderjarig moesten worden beschouwd overeenkomstig de rechtspraak van het EU-Hof (met name de zaak C-550/16, zie ook het ECER-bericht over die zaak). 

De Bondsrepubliek Duitsland heeft bij de Duitse federale administratieve rechtbank een rechtsmiddel ingesteld tegen het arrest van de lagere rechter. Die rechter heeft vragen aan het EU-Hof gesteld over de interpretatie van bepalingen van de richtlijn inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Gezinsherenigingsrichtlijn).

EU-Hof

Het EU-Hof brengt in herinnering dat de Gezinsherenigingsrichtlijn tot doel heeft gezinshereniging te bevorderen en dat die richtlijn ook beoogt bescherming te bieden aan derdelanders, met name minderjarigen. Verder brengt het EU-Hof in herinnering dat de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden uitgelegd in het licht van het grondrecht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven (artikel 7 EU-Handvest), gelezen in samenhang met de verplichting om rekening te houden met de belangen van het kind en met de noodzaak voor een kind om regelmatig persoonlijke betrekkingen met zijn beide ouders te onderhouden (artikel 24, leden 2 en 3 EU-Handvest).

Het Duitse recht vereist dat een alleenstaande minderjarige vluchteling jonger is dan 18 jaar, niet alleen op het tijdstip waarop het eerstegraads familielid in opgaande lijn zijn verzoek om toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging indient, maar ook op het tijdstip waarop de bevoegde nationale autoriteiten of de eventueel daarbij betrokken nationale rechterlijke instanties over een dergelijk verzoek beslissen. Het gegeven dat de vluchteling ook op het laatstgenoemde tijdstip minderjarig moet zijn is volgens het EU-Hof niet in overeenstemming met de doelstellingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn en met de eisen die voortvloeien uit de artikelen 7 en 24 van het EU-Handvest. Minderjarigheid op dat tijdstip vormt volgens het EU-Hof geen voorwaarde in de zin van artikel 16, lid 1, sub a van de Gezinsherenigingsrichtlijn, waarvan de niet-naleving de lidstaten de mogelijkheid biedt om een verzoek om gezinshereniging van ouders met een niet-begeleide (minderjarige) vluchteling af te wijzen.

Vervolgens oordeelt het EU-Hof dat het in strijd is met artikel 13, lid 2 van de Gezinsherenigingsrichtlijn om aan de ouders slechts een verblijfsrecht toe te kennen zolang het kind minderjarig is. Het verblijfsrecht van de ouders mag niet eindigen op het moment dat het kind meerderjarig wordt. De Gezinsherenigingsrichtlijn bepaalt namelijk dat de lidstaten, indien een verzoek om gezinshereniging wordt ingewilligd, in ieder geval een verblijfstitel met een geldigheidsduur van een jaar moeten verlenen.

Artikel 16, lid 1, sub b van de Gezinsherenigingsrichtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om een verzoek om gezinshereniging af te wijzen wanneer de gezinshereniger niet langer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven met de gezinsleden onderhoudt. In dat kader oordeelt het EU-Hof dat een bloedverwantschap van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn op zich niet volstaat om een werkelijk gezinsleven aan te nemen.

Het is echter niet noodzakelijk dat de gezinshereniger en de betrokken ouder in één huishouden samenwonen of onder hetzelfde dak wonen. Incidentele bezoeken, voor zover zij mogelijk zijn, en regelmatige contacten van welke aard dan ook kunnen voldoende zijn om aan te nemen dat deze personen persoonlijke en affectieve relaties aan het reconstrueren zijn en om het bestaan van een werkelijk gezinsleven vast te kunnen stellen. Bovendien kan van de gezinshereniger en zijn ouder niet worden verlangd dat zij elkaar financieel ondersteunen.

Meer informatie: