Contentverzamelaar

EU-Hof verduidelijkt welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming bij terugnameprocedures
Een onderdaan van een derde land die in een lidstaat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, deze lidstaat daarna heeft verlaten en vervolgens in een tweede lidstaat een nieuw verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, kan zich in beginsel niet beroepen op het verantwoordelijkheidscriterium wanneer hij opkomt tegen een overdrachtsbesluit in de tweede lidstaat. Bij uitzondering is dit wel mogelijk indien uit de verstrekte informatie duidelijk blijkt dat die tweede lidstaat als gevolg van het verantwoordelijkheidscriterium moet worden beschouwd als de verantwoordelijke lidstaat. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Raad van State.

Dat heeft het EU-Hof bepaald in zijn arrest van 2 april 2019 in de gevoegde zaken C-582/17 en C-583/17 H. R.

Zowel H. en R. hadden een verzoek om internationale bescherming (een vorm van “asiel”) in Nederland ingediend. Aangezien beiden echter eerder een verzoek om asiel in Duitsland hadden ingediend, heeft de Staatssecretaris op grond van EU-verordening 604/2013(Dublin III verordening) een terugnameverzoek naar de Duitse autoriteiten gestuurd. In beide gevallen heeft de Staatssecretaris beslist om het verzoek om asiel niet in behandeling te nemen. Zowel H. als R. zijn hiertegen in beroep gegaan bij de rechter, die het beroep gegrond verklaard heeft en het besluit van de Staatssecretaris vernietigd heeft. In hoger beroep vraagt Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State zich af of de Dublin III verordening vereist dat een onderdaan van een derde land die in een eerste lidstaat een verzoek om asiel heeft ingediend, deze lidstaat daarna heeft verlaten en vervolgens in een tweede lidstaat een nieuw verzoek heeft gedaan, zich kan beroepen op het verantwoordelijkheidscriterium uit die verordening, wanneer hij opkomt tegen een overdrachtsbesluit.

Het verantwoordelijkheidscriterium

Artikel 9 van de Dublin III verordening stelt dat “wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, is deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.” Verder bepaalt artikel 27, lid 1 van de Dublin III verordening dat een persoon tegen wie een overdrachtsbesluit is genomen, tegen dit besluit beroep of bezwaar kan instellen bij een rechterlijke instantie. Dit rechtsmiddel moet zowel betrekking kunnen hebben op de naleving van de regels waarbij de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om asiel wordt toegewezen als op de procedurele waarborgen uit de verordening. In dit kader rijst de vraag of de Nederlandse bevoegde autoriteiten verplicht zijn om bij een terugnameprocedure rekening te houden met het verantwoordelijkheidscriterium.

De terugnameprocedure is van toepassing wanneer een persoon in een lidstaat een verzoek om asiel heeft ingediend, nadat hij zijn eerste, in een andere lidstaat ingediende verzoek had ingetrokken tijdens de procedure waarin de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald. In zo’n situatie kan de verzoeker naar de eerste lidstaat worden overgebracht. Deze overdracht is ook mogelijk wanneer een verzoeker het grondgebied van de eerste lidstaat verlaten heeft, aangezien hier sprake is van een impliciete intrekking van het verzoek.

Overname-en terugnameprocedures

Overname- en terugnameprocedures moeten verplicht worden gevoerd volgens de regels van de Dublin III verordening. In het kader van de overnameprocedure voorziet de verordening slechts in de mogelijkheid voor de lidstaat waarbij een asielverzoek is ingediend, om een andere lidstaat te vragen de verzoeker over te nemen wanneer die lidstaat van mening is dat de tweede lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek. Dit geldt echter niet voor de terugnameprocedure. De mogelijkheid een terugnameverzoek in te dienen bestaat alleen wanneer aan de specifieke voorwaarden daarvoor is voldaan. Dit is niet mogelijk wanneer de lidstaat van mening is dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. De terugnameverplichting wordt in de verordening evenwel opgelegd aan de lidstaat waarbij het verzoek om internationale bescherming is ingediend. De terugnameverplichtingen kunnen echter pas worden toegepast wanneer de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek is afgerond, en ertoe heeft geleid dat deze lidstaat zijn verantwoordelijkheid heeft erkend. Als gevolg hiervan kan het verantwoordelijkheidscriterium niet worden gebruikt om deze lidstaat aan te wijzen, omdat in een dergelijke situatie de verantwoordelijke lidstaat reeds vaststaat. Het verantwoordelijkheidscriteria is dus niet relevant in het kader van de terugnameprocedure.

Een andere uitleg zou de verwezenlijking van de doelen van de Dublin III verordening kunnen ondermijnen. De bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat zouden kunnen overgaan tot heroverweging van de conclusie waartoe de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat met betrekking tot diens verantwoordelijkheid zijn gekomen. Dit zou ertoe kunnen leiden dat onderdanen van een derde land zich naar een andere lidstaat begeven, wat de Dublin III verordening juist probeert te voorkomen.

Hieruit volgt dat de betrokken bevoegde autoriteiten niet verplicht zijn om, voordat zij een terugnameverzoek bij een andere lidstaat indienen, op grond van het verantwoordelijkheidscriterium te bepalen of deze tweede lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Dit kan alleen anders zijn indien de verzoeker aan de bevoegde autoriteit informatie heeft verstrekt waaruit duidelijk blijkt dat die lidstaat ingevolge het verantwoordelijkheidscriterium moet worden beschouwd als de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. In een dergelijke situatie moet die lidstaat zijn eigen verantwoordelijkheid erkennen.