Eerste Nederlandse verzoek om interpretatie van een arrest leidt tot verklaring EU-Hof dat rechtsbasis van door Nederland verschuldigde rente niet in dat arrest is vastgesteld

Contentverzamelaar

Eerste Nederlandse verzoek om interpretatie van een arrest leidt tot verklaring EU-Hof dat rechtsbasis van door Nederland verschuldigde rente niet in dat arrest is vastgesteld
Het EU-Hof kan op verzoek van bepaalde partijen de betekenis en de strekking van een door haar gewezen arrest uitleggen. Nederland had- voor het eerst- een dergelijk verzoek ingediend bij het EU-Hof. Dit verzoek zag op het arrest van het EU-Hof in zaak C-395/17, waarin is vastgesteld dat Nederland vertragingsrente moet betalen aan de Europese Commissie. Nederland en de Commissie verschillen van mening over de rechtsbasis van de rente. Het EU-Hof oordeelt dat die basis niet is vastgesteld in het arrest. Daarom verklaart het EU-Hof het verzoek niet ontvankelijk.

Het EU-Hof stelt dat een dergelijk verzoek niet-ontvankelijk is indien het verzoek betrekking heeft op kwesties die niet in het desbetreffende arrest zijn beslecht. Dat is ook het geval bij het door Nederland ingestelde verzoek om uitlegging van het arrest waarin het EU-Hof oordeelde dat het Koninkrijk Nederland financieel aansprakelijk is voor de gevolgen van de onrechtmatige afgifte van EU-oorsprongscertificaten op Aruba en Curaçao.

Achtergrond

Op grond van artikel 43 van het Statuut van het EU-Hof kan het EU-Hof de betekenis en de strekking van een door haar gewezen arrest uitleggen. Die uitlegging moet worden verzocht door één van de partijen (bijv. een lidstaat) of een EU-instelling, die haar belang ter zake aannemelijk maakt. Een verzoek tot uitlegging van een arrest is niet-ontvankelijk wanneer het betrekking heeft op punten die niet in het desbetreffende arrest zijn beslecht.

Nederland had – voor het eerst – een verzoek tot uitlegging ingediend bij het EU-Hof. Het verzoek had betrekking op het arrest van het EU-Hof in de zaak C-395/17 (zie ook het ECER-bericht over die zaak). In die zaak oordeelde het EU-Hof dat het Koninkrijk Nederland op grond van het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, EU-Verdrag) financieel aansprakelijk is voor de onrechtmatige gevolgen van de onrechtmatige afgifte van oorsprongscertificaten op Aruba en Curaçao. Nederland heeft de hoofdsom direct na het arrest voldaan.

Daarnaast moet Nederland ook vertragingsrente betalen. De Europese Commissie en Nederland verschillen echter van mening over de rechtsbasis van die vertragingsrente en daarmee ook over het rentepercentage. De Europese Commissie berekent die rente op grond van een bepaling uit de Europese eigenmiddelenwetgeving (verordening 1150/2000), wat leidt tot een rente van meer dan 25 procent. Nederland vindt dat niet de juiste rechtsbasis, omdat het EU-Hof in zijn arrest in de zaak C-395/17 niet heeft vastgesteld dat Nederland een verplichting uit de eigenmiddelenwetgeving heeft geschonden.

Verzoek om uitlegging

Het EU-Hof verklaart het verzoek om uitlegging van Nederland niet-ontvankelijk (zie hier de beschikking). Volgens het EU-Hof heeft het Nederlandse verzoek om uitlegging geen betrekking op één van de kwesties die is beslecht in het arrest waarvan om uitlegging wordt verzocht. In de zaak C-395/17 heeft het EU-Hof zich namelijk niet uitgesproken over de regels volgens welke vertragingsrente moet worden berekend. Daarnaast heeft het EU-Hof zich niet uitgelaten over de EU-rechtelijke bepalingen die op een dergelijke berekening van toepassing zijn.

Naschrift: Dit ECER-nieuwsbericht werd eerder gepubliceerd in de ECER-nieuwsbrief van 10 mei 2022. Ter verduidelijking heeft het ECER per 16 mei de titel en inleiding van het oorspronkelijke nieuwsbericht gewijzigd.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – EU-Hof
  • ECER-bericht – EU-Hof: Koninkrijk der Nederland is onder Unierecht verplicht tot compensatie van gederfde douane-inkomsten als gevolg van onjuiste afgifte exportcertificaten op Aruba en Curaçao (12 november 2019)