EU-Hof verwerpt bezwaren van Hongarije en Polen tegen MFK-rechtsstaatverordening

Contentverzamelaar

EU-Hof verwerpt bezwaren van Hongarije en Polen tegen MFK-rechtsstaatverordening
De MFK-rechtsstaatverordening stelt de Europese Commissie in staat om EU-middelen van een lidstaat in te houden, indien inbreuken op de rechtsstaat in die lidstaat voldoende rechtstreekse gevolgen hebben voor de EU-begroting. De rechtsgrondslag die de EU in staat stelt om financiële regels vast te stellen voor de uitvoering van de EU-begroting vormt een passende rechtsgrondslag voor de MFK-rechtsstaatverordening. De procedure op grond van de MFK-rechtsstaatverordening leidt niet tot een omzeiling van de in artikel 7 van het EU-Verdrag neergelegde procedure voor ernstige schendingen van de waarden van de EU. Dat is het antwoord van het EU-Hof op de door Hongarije en Polen ingestelde beroepen tot nietigverklaring tegen de MFK-rechtsstaatverordening.

Het gaat om de arresten van het EU-Hof van 16 februari 2022 in de zaken C-156/21 en C-157/21.

Achtergrond

De rechtsstaat staat in bepaalde lidstaten van de EU steeds meer onder druk. Met name Hongarije en Polen staan daarbij in het middelpunt. In 2021 heeft het EU-Hof een aantal belangrijke arresten gewezen waarin schendingen van de rechtsstaat in die landen werden vastgesteld ( C-824/18 , C-791/19 en C-564/19 ). Daarnaast heeft de Commissie in december 2021 een nieuwe inbreukprocedure ingeleid tegen Polen vanwege de betwisting van de voorrang van het EU-recht door het Poolse Grondwettelijk Hof.

Om de EU-instellingen een extra instrument te geven om schendingen van de rechtsstaat aan te pakken, heeft de Commissie in 2018 voor het eerst voorgesteld een financieel conditionaliteitsmechanisme in te stellen. Na intensieve politieke en juridische discussies bereikten de EU en haar lidstaten in 2020 overeenstemming over een verordening betreffende een algemeen conditionaliteitsmechanisme ter bescherming van de Uniebegroting (hierna: MFK-rechtsstaatverordening). Het conditionaliteitsmechanisme stelt de Commissie in staat om EU-middelen van een lidstaat in te houden, indien inbreuken op de rechtsstaat in die lidstaat voldoende rechtstreekse gevolgen hebben voor de begroting of de financiële middelen van de EU.

Als onderdeel van een compromis dat tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad in december 2020 werd bereikt, mocht de Commissie geen maatregelen uit hoofde van de MFK-rechtsstaatverordening nemen totdat het EU-Hof zich over de wettigheid ervan had uitgesproken. Op 11 maart 2021 hadden zowel Hongarije ( C-156/21 ) als Polen ( C-157/21 ) een beroep tot nietigverklaring bij het Hof ingesteld tegen de MFK-rechtsstaatverordening. Op 16 februari 2022 heeft het EU-Hof uitspraak gedaan in beide zaken.

EU-Hof

Rechtsgrondslag van de MFK-rechtsstaatverordening

De MFK-rechtsstaatverordening is vastgesteld op grond van artikel 322, lid 1, onder a van het EU-Werkingsverdrag. Die bepaling geeft de EU-wetgever de bevoegdheid om financiële regels vast te stellen, met name betreffende de wijze waarop de EU-begroting wordt uitgevoerd. Het EU-Hof oordeelt dat die bepaling een passende rechtsgrondslag vormt voor de MFK-rechtsstaatverordening. Volgens het EU-Hof heeft de MFK-rechtsstaatverordening namelijk enkel tot doel om de EU-begroting te beschermen tegen de gevolgen van schendingen van de beginselen van de rechtsstaat en heeft zij niet tot doel om die schendingen als zodanig te bestraffen.

Omzeiling van de procedure van artikel 7 EU-Verdrag

De procedure van artikel 7 EU-Verdrag heeft tot doel om de Raad in staat te stellen, ernstige en voortdurende schendingen van de waarden van de EU, waaronder de waarde van de rechtsstaat, te bestraffen (zie artikel 2 EU-Verdrag voor een overzicht van de waarden van de EU). Het EU-Hof oordeelt dat de MFK-rechtsstaatverordening de procedure van artikel 7 EU-Verdrag niet omzeilt. De procedure van artikel 7 EU-Verdrag heeft namelijk een bestraffend karakter, terwijl de procedure onder de MFK-rechtsstaatverordening een beschermend karakter heeft (namelijk bescherming van de EU-begroting). Beide procedures hebben volgens het EU-Hof aldus een verschillende doelstelling.

Schending van het subsidiariteitsbeginsel

Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de EU slechts optreedt indien het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kan worden verwezenlijkt. Het EU-Hof oordeelt dat het subsidiariteitsbeginsel niet van toepassing is. De MFK-rechtsstaatverordening valt namelijk volgens het EU-Hof onder de uitoefening van een bevoegdheid van de EU die betrekking heeft op haar werking en die naar haar aard slechts door de EU zelf kan worden uitgeoefend.

Schending van het beginsel van bevoegdheidstoedeling en de verplichting om de essentiële taken van de lidstaten te eerbiedigen

Artikel 4, lid 1 van het EU-Verdrag bepaalt dat de bevoegdheden die niet aan de EU zijn toegedeeld, toebehoren aan de lidstaten (beginsel van bevoegdheidstoedeling). Daarnaast bepaalt artikel 4, lid 2, tweede alinea van het EU-Verdrag dat de EU de essentiële taken van de lidstaten moet eerbiedigen. Polen en Hongarije hadden aangevoerd dat de MFK-rechtsstaatverordening een controle op de naleving van de beginselen van de rechtsstaat instelt op gebieden waarop deze lidstaten soeverein optreden en die onder hun exclusieve bevoegdheid vallen.

Het EU-Hof oordeelt dat de MFK-rechtsstaatverordening geen betrekking heeft op gebieden die tot de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten behoren. Volgens het EU-Hof is de werkingssfeer van die verordening namelijk beperkt tot situaties en gedragingen van nationale autoriteiten die verband houden met de uitvoering van de EU-begroting of de bescherming van de financiële belangen van de EU. Het beginsel van bevoegdheidstoedeling is niet geschonden. 

Schending van het rechtszekerheidsbeginsel

Het rechtszekerheidsbeginsel is een algemeen rechtsbeginsel van het EU-recht en vereist dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voorzienbaar is voor degenen op wie de wet van toepassing is. Het EU-Hof oordeelt dat de MFK-rechtsstaatverordening niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens het EU-Hof kunnen de lidstaten op basis van de MFK-rechtsstaatverordening met voldoende nauwkeurigheid het begrip ‘rechtsstaat’ bepalen. Ook kan met voldoende nauwkeurigheid worden vastgesteld op basis van welke criteria een schending van de beginselen van de rechtsstaat kan worden aangenomen.

Eindoordeel van het EU-Hof

Het EU-Hof verwerpt de beroepen tot nietigverklaring van Polen en Hongarije tegen de MFK-rechtsstaatverordening. Polen en Hongarije hebben geen argumenten aangevoerd die de wettigheid van de MFK-rechtsstaatverordening kunnen aantasten.

Meer informatie:

  • ECER-dossier – Conditionaliteitsmechanisme voor de rechtsstaat (MFK-rechtsstaatverordening)