Contentverzamelaar

EU-Hof verwerpt claim over ongeldigheid van de Aarhus-verordening
Milieuorganisaties hebben geen recht om herziening te verzoeken van besluiten van de Commissie over luchtkwaliteitsnormen en pesticiden omdat deze besluiten van algemene strekking zijn. Deze beperking in de Aarhus-verordening kan niet worden getoetst aan de corresponderende regeling in het Aarhus-verdrag, omdat deze laatste regeling geen rechtstreekse werking heeft. Dat heeft het EU-Hof bepaald.

Deze uitspraak deed het Hof in twee hoger beroepen ( gevoegde zaken C-401/12P, C-402/12 P en C-403/12 P respectievelijk C-404/12 P en C-405/12 P).

Deze zaken zijn in eerste aanleg gestart door drie Nederlandse en een Engelse milieuorganisatie (Milieudefensie, Stichting Stop Luchtverontreiniging Utrecht, Stichting Natuur en Milieu en Pesticide Actoin Network Europe). In 2008 en 2009 verzochten deze milieuorganisaties de Commissie om twee beslissingen te herzien: Besluit C(2009)2560 waarbij Nederland meer tijd kreeg om te voldoen aan normen voor luchtkwaliteit en Verordening 149/2008 tot vaststelling van residugehalten van pesticiden. De grondslag voor dit verzoek om herziening is artikel 10 van de Aarhus-verordening betreffende de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden op de communautaire instellingen en organen.

De Commissie verklaarde beide verzoeken om herziening niet ontvankelijk, omdat de bewuste besluiten geen maatregel van individuele strekking vormen en daarom niet kunnen worden aangemerkt als een „administratieve handeling” in de zin van de Aarhus-verordening Tegen deze beslissing gingen de milieuorganisaties in beroep bij het Gerecht. Zij stelden (onder meer) dat artikel 10 van de Aarhus-verordening in strijd is met artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus.

Het Gerecht toetste de Aarhus-verordening aan het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Daartoe beriep het Gerecht zich op de arresten van het EU-Hof in zaak 70/87,  Fediol en zaak C-69/89, Nakajima. Deze arresten bevatten voor het WTO-terrein een uitzondering op de hoofdregel dat een EU-handeling alléén kan worden getoetst aan rechtstreeks werkende verdragsbepalingen. Het Gerecht verklaarde deze WTO-rechtspraak van toepassing op de Aarhus-verordening.

Het Hof vernietigt nu dit oordeel van het Gerecht.

Het Hof overweegt dat de arresten Fediol en Nakajima zijn ingegeven vanwege de bijzonderheden van de betrokken WTO-overeenkomsten. Verder oordeelt het Hof dat artikel 10 van de Aarhus-verordening niet voldoet aan de voorwaarden van de twee WTO-arresten: artikel 10 verwijst niet uitdrukkelijk naar het Verdrag van Aarhus en kan evenmin worden opgevat als de uitvoering van een bijzondere verplichting in de zin van het arrest Nakajima.

Aldus bestendigt het Hof zijn vaste rechtspraak. Artikel 10 van de Aarhus-verordening kan – bij gebrek aan rechtstreekse werking – niet worden getoetst aan artikel 9, derde lid, van het Verdrag van Aarhus.

Nederland steunde de Commissie in eerste aanleg in de zaak over het besluit inzake de luchtkwaliteitnormen. Nederland heeft niet meegedaan in het hoger beroep.