Contentverzamelaar

EU-Hof: vestigingseisen voor ‘national carriers’ zijn onder omstandigheden gerechtvaardigd
In hoeverre kunnen nationale overheden eisen stellen bij de privatisering van hun nationale luchtvaartmaatschappij? Op deze actuele vraag heeft het EU-Hof zijn licht doen schijnen in een zaak over Transportes Aéreos Portugueses (TAP), de Portugese ‘national carrier’. Het Hof bevestigt dat vestigingseisen onder omstandigheden zijn toegestaan onder het Unierecht.

Het gaat om de uitspraak van het Hof van Justitie van 27 februari 2019 in in zaak C-563/17 Associação Peço a Palavra.

De zaak betreft de herprivatisering van TAP, de ‘national carrier’ van Portugal. Voor de verkoop van de meerderheidsaandelen waren door de Portugese overheid een aantal selectiecriteria opgesteld waar kopers aan moeten voldoen, waaronder de eis om het hoofdkantoor en de feitelijke leiding te behouden in Portugal, en het behoud en de ontwikkeling van de nationale 'hub'.

De Portugese burgerorganisatie ‘Peço a Palavra’ verzet zich tegen de herprivatisering en is in Portugal naar de rechter gestapt om deze plannen tegen te houden. In de loop van deze procedure heeft de hoogste administratieve rechter in Portugal prejudiciële vragen aan het EU-Hof gesteld.

Het Hof bevestigt eerst dat bij de verkoop van een meerderheidsaandeel de beoordeling moet plaatsvinden onder de vrijheid van vestiging (49 VWEU) en niet vrij verkeer van kapitaal (56 VWEU). In dat licht vindt het Hof dat de opgelegde verkoopvoorwaarden de vrijheid van vestiging beperken. Vervolgens kijkt het Hof of deze beperkingen van vrijheid van vestiging gerechtvaardigd kunnen worden op grond van een dwingende redenen van algemeen belang.

Zo acht het Hof het gerechtvaardigd om de nationaliteit van de nationale carrier te beschermen door de hoofdvestiging in het land te vereisen vanwege bestaande luchtvaartverdragen die nog een nationaliteitsvereiste bevatten. TAP beschikt over verkeersrechten voor verbindingen naar landen als Brazilië, Angola en Mozambique, waarmee Portugal een bijzonder sterke band heeft. Deze verkeersrechten zijn het gevolg van bilaterale overeenkomsten tussen Portugal en de genoemde landen, waarin als voorwaarde is gesteld dat het hoofdkantoor van de TAP in Portugal blijft. Het hoofdkantoor verplaatsen naar een andere lidstaat zou dus betekenen dat TAP de verkeersrechten zou verliezen en daarmee de connectiviteit en culturele banden van Portugal met deze landen in gevaar zou kunnen komen. Ter bescherming van deze verkeersrechten mag de Portugese overheid daarom vestigingseisen instellen, aldus het Hof. Deze eis is volgens het Hof ook proportioneel, omdat TAP bijvoorbeeld niet verhinderd wordt om nevenvestigingen in andere lidstaten te openen.

Daarentegen oordeelt het EU-Hof dat de eis van hoofdvestiging in Portugal niet door de beugel kan in het kader van het toezicht op de naleving van een aan TAP opgelegde openbaredienstverplichting om bepaalde lijndiensten uit te voeren. Volgens het EU-Hof zijn er om toezicht uit te oefenen immers maatregelen die de vrijheid van vestiging minder beperken, zoals de verplichting om een nevenvestiging in Portugal te hebben.

De noodzaak van de eis van het behoud en de ontwikkeling van de nationale ‘hub’ met  het doel van de verbindingen met de Portugeestalige derde landen te garanderen, is echter niet aangetoond volgens het EU-Hof. Het model van de bestaande nationale hub kan een nuttig instrument zijn , maar dit organisatiemodel dat daarop is gestoeld, geldt voor alle verbindingen en niet alleen voor verbindingen van of naar de betrokken Portugeestalige derde landen. Het EU-Hof meent dan ook dat deze eis verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken.

​​​​​​​

Meer informatie: