EU-Hof: vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking valt niet onder bevoegdheidsgrond voor verbintenissen uit onrechtmatige daad

Contentverzamelaar

EU-Hof: vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking valt niet onder bevoegdheidsgrond voor verbintenissen uit onrechtmatige daad
Een vordering kan alleen betrekking hebben op een ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ wanneer de aansprakelijkheid van de verweerder berust op een schadebrengend feit. Een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking berust op een verplichting die haar oorsprong niet in een schadebrengend feit vindt. Om die reden kan een dergelijke vordering niet onder de bevoegdheidsgrond voor verbintenissen uit onrechtmatige daad uit de Brussel I-verordening vallen. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Kroatische rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 9 december 2021 in de zaak C-242/20, HRVATSKE SUME .

Achtergrond

In deze zaak gaat het om een geschil tussen een Kroatische vennootschap en een in Duitsland gevestigde vennootschap. De in Duitsland gevestigde vennootschap heeft naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van een Kroatisch uitvoeringsbevel ongeveer 500.000 euro ontvangen. Dat bedrag is geïncasseerd van de bankrekening van de Kroatische vennootschap.

De Kroatische vennootschap heeft vervolgens een procedure ingesteld om de gerechtelijke tenuitvoerlegging van het uitvoeringsbevel ongeldig te laten verklaren. De hoogste Kroatische rechter in burgerlijke en strafzaken heeft in mei 2009 geoordeeld dat de tenuitvoerlegging ongeldig was. De in Duitsland gevestigde vennootschap heeft zich aldus ongerechtvaardigd verrijkt. De Kroatische vennootschap vordert bij een Kroatische rechter om teruggave van de betrokken geldsom wegens ongerechtvaardigde verrijking. 

De Kroatische rechter vraagt zich af of hij zich bevoegd mag verklaren om over die vordering te oordelen of dat de Duitse gerechten bevoegd zijn, aangezien Duitsland de “woonplaats” van de in Duitsland gevestigde vennootschap is. Het antwoord hangt met name af van de vraag of een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking betrekking heeft op “verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, punt 3 van de Brussel I-verordening.

EU-Hof

Om uit te maken of een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking betrekking heeft op een verbintenis uit onrechtmatige daad moet volgens het EU-Hof aan twee voorwaarden worden voldaan.

In de eerste plaats moet de vordering geen verband houden met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ (artikel 5, lid 1, Brussel I-verordening). Het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ omvat elke vordering die gebaseerd is op een verbintenis die een persoon uit vrije wil is aangegaan jegens een andere persoon. Volgens het EU-Hof kan bij een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking de terugbetalingsverplichting in de regel niet voortvloeien uit een verbintenis die de verweerder vrijwillig is aangegaan. Een dergelijke vordering ontstaat namelijk buiten zijn wil. Dit is slechts anders indien de vordering nauw samenhangt met een eerdere contractuele band tussen de partijen.

In de tweede plaats moet worden nagegaan of een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking de aansprakelijkheid van de verweerder in het geding beoogt te brengen. Het EU-Hof oordeelt in dit verband dat een vordering geen betrekking kan hebben op een verbintenis uit onrechtmatige daad wanneer de aansprakelijkheid van de verweerder niet berust op een schadebrengend feit.

Een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking berust op een verplichting die haar oorsprong niet in een schadebrengend feit vindt. Deze verplichting ontstaat namelijk onafhankelijk van het gedrag van de verweerder, zodat er geen oorzakelijk verband kan worden vastgesteld tussen de schade en een eventueel onrechtmatig handelen of nalaten van hem. Een vordering tot terugbetaling wegens ongerechtvaardigde verrijking kan daarom geen betrekking hebben op een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 5, punt 3 van de Brussel I-verordening.

Meer informatie: