EU-Hof: werkloze kan na ziekteverlof in werkland aanspraak maken op WW-uitkering in woonland

Contentverzamelaar

EU-Hof: werkloze kan na ziekteverlof in werkland aanspraak maken op WW-uitkering in woonland
Een werkloze kan aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering in het woonland wanneer hij op het moment van verhuizing naar het woonland feitelijk geen werkzaamheden meer verrichte in het werkland, maar enkel nog een dienstbetrekking had en een ziekte-uitkering in het werkland ontving. Het nationale recht van het werkland moet het ontvangen van een ziekte-uitkering wel gelijkstellen met het verrichten van feitelijke werkzaamheden. Dat is het antwoord van het EU-Hof op vragen van de Centrale Raad van Beroep.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 30 september 2021 in de zaak C-285/20, K tegen UWV .

Achtergrond

K woonde van 1979 tot 2005 in Nederland. Vanaf 2005 woonde hij met zijn gezin in Duitsland. In verband met relatieproblemen is hij in februari 2016 terug naar Nederland verhuisd. Afgezien van een kort ziekenhuisverblijf in Duitsland, verbleef K vanaf 2 februari 2016 bij zijn broer in Nederland, waar hij per 4 maart 2016 ook ingeschreven stond.

Tot 1 mei 2015 werkte K in Nederland. Vanaf die datum werkte hij in Duitsland voor een Duitse werkgever. Op 24 augustus 2015 meldde K zich ziek. Van 4 oktober 2015 tot 4 april 2016 ontving hij in Duitsland een ziekte-uitkering. De Duitse werkgever heeft de arbeidsovereenkomst op 15 februari 2016 beëindigd, met ingang van 15 maart 2016.

K heeft bij het UWV in Nederland op 22 april 2016 een aanvraag gedaan voor een werkloosheidsuitkering. Deze uitkering is hem niet toegekend. UWV achtte zich niet bevoegd over de aanvraag te oordelen en voor toepassing van artikel 65 van verordening 883/2004 zag het UWV en later de rechtbank in eerste aanleg geen aanleiding.

In deze zaak is met name de periode van 2 februari 2016 tot 15 maart 2016 van belang. K woonde in die periode in Nederland, maar had nog een dienstverband met zijn Duitse werkgever. In die periode verrichte hij feitelijk geen werkzaamheden meer voor zijn werkgever, maar ontving hij een ziekte-uitkering van Duitsland.

De zaak tussen K en het UWV is uiteindelijk terechtgekomen bij de Centrale Raad van Beroep. In de procedure bij de Centrale Raad van Beroep stond met name ter discussie of K op grond van artikel 65, leden 2 en 5 van verordening 883/2004 recht heeft op een Nederlandse werkloosheidsuitkering. Dat artikel ziet op de toekenning van een werkloosheidsuitkering door het woonland (in deze zaak Nederland) aan een volledig werkloze die tijdens zijn laatste werkzaamheden in de bevoegde lidstaat niet in de bevoegde lidstaat woonde. De bevoegde lidstaat is meestal het (ex-)werkland (in deze zaak Duitsland).

In deze context heeft de Centrale Raad van Beroep vragen gesteld aan het EU-Hof over de toepasselijkheid van artikel 65, leden 2 en 5 van verordening 883/2004 .

EU-Hof

Het begrip “werkzaamheden in loondienst”

De Centrale Raad van Beroep wil ten eerste van het EU-Hof weten of het voor de toepassing van artikel 65, leden 2 en 5 van verordening 883/2004 noodzakelijk is dat de betrokkene op het moment van verhuizing naar een andere lidstaat (Nederland) dan de bevoegde lidstaat (Duitsland), feitelijk werkzaamheden in loondienst moet verrichten of dat het artikel ook van toepassing is wanneer de betrokkene op het moment van verhuizing niet meer feitelijk werkt, maar (enkel) nog een dienstbetrekking heeft en een ziekte-uitkering krijgt.

Het EU-Hof oordeelt dat de situatie waarin de betrokkene in de bevoegde lidstaat niet daadwerkelijk werkzaamheden in loondienst verricht, maar met ziekteverlof is en uit dien hoofde een door die lidstaat verstrekte ziekte-uitkering ontvangt, binnen de werkingssfeer van artikel 65, leden 2 en 5 van verordening 883/2004 kan vallen. Het nationale recht van de bevoegde lidstaat moet het ontvangen van een ziekte-uitkering echter wel gelijkstellen met het feitelijk verrichten van werkzaamheden in loondienst.

Redenen van verhuizing

Daarnaast vraagt de Centrale Raad van Beroep aan het EU-Hof of van belang is om welke redenen, bijvoorbeeld gezinsredenen, de betrokkene zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere lidstaat (Nederland) dan de bevoegde lidstaat (Duitsland).

Het EU-Hof oordeelt dat geen rekening dient te worden gehouden met de redenen waarom de betrokkene zijn woonplaats heeft overgebracht naar een andere lidstaat dan de bevoegde lidstaat. Volgens het EU-Hof blijkt uit de bewoordingen van artikel 65, leden 2 en 5 van verordening 883/2004 namelijk niet dat de redenen voor de overbrenging van de woonplaats van enig belang zijn.

Meer informatie: