Europees recht en de Nederlandse Grondwet

Contentverzamelaar

Europees recht en de Nederlandse Grondwet
De doorwerking van het Europees recht in de Nederlandse rechtsorde is niet afhankelijk van het stelsel van de artikelen 93 en 94 Grondwet. Dat stelt het kabinet in een notitie aan de Kamer. Het kabinet neemt daarmee afstand van het standpunt van de Grondwetgever in 1983. Wetenschap en rechtspraak leidden tot dit voortschrijdend inzicht.

De kabinetsnotitie is opgesteld naar aanleiding van de motie Visser waarin de regering wordt opgeroepen meer helderheid te verschaffen over de doorwerking van het internationale recht in de Nederlandse rechtsorde en de beperking van de beleidsvrijheid van de wetgever.

Conclusies
Het kabinet concludeert daarin:
i. De motie richt zich op de beleidsvrijheid van de nationale wetgever. De wetgever is hoe dan ook gebonden aan verdragsverplichtingen, ongeacht het systeem van doorwerking van het internationale en Europese recht. In zoverre is artikel 94 Grondwet voor de wetgever niet van doorslaggevend belang.
ii. Ook de Europese Gemeenschap is gebonden aan het internationale recht. Door de Gemeenschap gesloten verdragen maken deel uit van het gemeenschapsrecht.
iii. Door deze binding ziet de nationale wetgever – waaronder het Nederlandse parlement – logischerwijs grenzen gesteld aan zijn beleidsvrijheid. Het parlement kan wel in de fase van totstandkoming van verdragen en regelgeving invloed uitoefenen. De (grond)wet waarborgt bovendien deze betrokkenheid van het parlement bij de totstandkoming van verdragen.
iv. Opzegging van verdragen behoort op zichzelf ook tot de mogelijkheden. In veel gevallen is opzegging echter niet mogelijk zonder zich van de internationale gemeenschap te isoleren.

Europees recht
Op het punt van de doorwerking van het Europees recht overweegt het kabinet alsvolgt. De vraag of die doorwerking van het Europese recht afhankelijk is van het stelsel van de artikelen 93 en 94 Grondwet kan ontkennend worden beantwoord. In de wetenschap heerst vrijwel zonder uitzondering deze opvatting, juist gelet op die door het Europese Hof vastgestelde eigen aard van de rechtsorde van de Europese Gemeenschappen4. In zijn arrest van 2 november 2004 lijkt de Hoge Raad deze visie te bevestigen (HR 2 november 2004, NJ 2005, 80). In het verleden heeft de grondwetgever zich op een tegengesteld standpunt gesteld. Vast staat dat het Europese recht vanwege het bijzondere karakter van de Europese rechtsorde doorwerkt en voorrang heeft in de nationale rechtsorde en in zoverre de beleidsvrijheid van de nationale wetgever beperkt. Daarenboven wordt deze beleidsvrijheid beperkt door het communautaire recht dat zich rechtstreeks tot de wetgevers van de lidstaten richt, zoals de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijnen die door de wetgever moeten worden omgezet in nationaal recht.