Europese Commissie wil brievenbusfirma’s aanpakken

Contentverzamelaar

Europese Commissie wil brievenbusfirma’s aanpakken
Een wetgevingsvoorstel van de Commissie moet ervoor zorgen dat EU-ondernemingen die geen of minimale economische activiteiten ontplooien en enkel worden gebruikt om belastingvoordelen te verkrijgen, niet in aanmerking komen voor dergelijke voordelen. Aan de hand van een nieuwe test kunnen de lidstaten dergelijke ondernemingen identificeren.

Achtergrond

In mei 2021 heeft de Europese Commissie een mededeling over belastingen op ondernemingen voor de 21e eeuw aangenomen. De mededeling bevat zowel een langetermijn- als een kortetermijnvisie om de komende jaren voldoende overheidsinkomsten (uit belastingen) te garanderen. De Commissie kondigde in de mededeling aan dat zij een wetgevingsvoorstel zou presenteren om misbruik van lege vennootschappen voor belastingdoeleinden aan te pakken. Die lege vennootschappen worden ook wel ‘brievenbusfirma’s’ genoemd.

De Europese Commissie heeft dit wetgevingsvoorstel op 22 december 2021 gepresenteerd. Met het wetgevingsvoorstel voor een richtlijn komt de Commissie tegemoet aan het verzoek van het Europees Parlement om als EU op te treden tegen misbruik van lege vennootschappen voor belastingdoeleinden.

Inhoud van het wetgevingsvoorstel

De beoogde richtlijn richt zich op alle ondernemingen die voor belastingdoeleinden als ingezetenen van een lidstaat kunnen worden beschouwd, ongeacht hun rechtsvorm. Het gaat dus ook om juridische constructies, zoals personenvennootschappen.

In de beoogde richtlijn is een test vastgesteld aan de hand waarvan de lidstaten ondernemingen kunnen identificeren die een economische activiteit uitoefenen, maar niet over een minimale economische activiteit beschikken en worden misbruikt om belastingvoordelen te behalen. De test is opgebouwd uit zeven stappen:

  1. In de eerste stap worden de verschillende soorten ondernemingen opgesplitst in ondernemingen die het risico lopen voor belastingdoeleinden te worden misbruikt, en ondernemingen die weinig risico lopen;
  2. Alleen de ondernemingen die in de eerste fase als risico-onderneming worden aangemerkt, gaan door naar de tweede fase, die de kern van de toets vormt. Omdat zij een risico lopen, wordt deze ondernemingen gevraagd in hun belastingaangifte verslag uit te brengen over hun economische substantie. Het rapporteren over de substance betekent het verstrekken van specifieke informatie, die normaal gesproken al in de belastingaangifte van de onderneming is opgenomen, op een manier die de beoordeling van de door de onderneming verrichte activiteit vergemakkelijkt. De nadruk ligt op specifieke omstandigheden die normaliter aanwezig zijn in een onderneming die een aanzienlijke economische activiteit verricht;
  3. De derde stap van de test schrijft voor hoe de informatie die de onderneming in de tweede stap heeft gerapporteerd, inhoudelijk moet worden beoordeeld. Er wordt aangegeven hoe het resultaat van de verslaglegging, d.w.z. de verklaring van de onderneming dat zij al dan niet over de relevante elementen beschikt, moet worden gekwalificeerd;
  4. De vierde stap betreft het recht van de onderneming - die voor de toepassing van de richtlijn wordt geacht voor belastingdoeleinden te worden misbruikt - om het tegendeel te bewijzen, d.w.z. te bewijzen dat zij substantie heeft of in ieder geval niet voor belastingdoeleinden wordt misbruikt;
  5. Een onderneming die niet aan de minimale substantie voldoet, zou voor echte bedrijfsactiviteiten kunnen worden gebruikt zonder dat dit een belastingvoordeel oplevert voor haarzelf, voor de groep ondernemingen waarvan zij deel uitmaakt of voor de uiteindelijk gerechtigde. Een dergelijke onderneming moet de mogelijkheid hebben om dit te allen tijde aan te tonen en om vrijstelling te verzoeken van de verplichtingen van de beoogde richtlijn;
  6. Zodra een onderneming wordt geacht een lege vennootschap in de zin van de beoogde richtlijn te zijn en deze veronderstelling niet weerlegt, moeten de fiscale gevolgen ingaan. Deze gevolgen moeten evenredig zijn en gericht zijn op het neutraliseren van de fiscale gevolgen, dat wil zeggen het tenietdoen van belastingvoordelen die via de onderneming zijn verkregen of kunnen worden verkregen;
  7. Alle lidstaten zullen toegang hebben tot informatie over lege vennootschappen in de EU, op elk moment en zonder dat een verzoek om informatie behoeft te worden ingediend. Daartoe zal tussen de lidstaten informatie worden uitgewisseld vanaf de eerste stap, namelijk wanneer een onderneming voor de toepassing van deze richtlijn als risico-onderneming wordt aangemerkt.

Hoe nu verder?

Zodra het voorstel door de lidstaten is aangenomen, moet het op 1 januari 2024 in werking treden.