Contentverzamelaar

Financieel Reglement van de EU basis voor nationale terugvordering EU-subsidies
Als het nationale recht niet toelaat dat subsidies worden teruggevorderd, kan het Financieel reglement van de EU een algemene rechtsgrondslag vormen voor terugvordering van subsidies met een EU-component. Dit heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Raad van State.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 18 december 2014 in de zaak C-599/13, Somalische Vereniging Amsterdam en Omgeving (SOMVAO) tegen Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

SOMVOA is een vereniging die zich richt op de Somalische gemeenschap in Amsterdam en omstreken. In 2006 heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie hen een subsidie van bijna twee ton verleend in het nationale uitvoeringskader van het Europees Vluchtelingenfonds. In 2007 is het eindbedrag van deze subsidie, naar aanleiding van de ingediende eindverantwoording, vastgesteld op hetzelfde bedrag als er in 2006 was verleend. In 2009 verricht een accountantskantoor in opdracht van de Europese Commissie een controle naar de rechtmatigheid van de bestedingen van de subsidie. Uit deze controle blijkt dat de subsidie voor het grootste deel ten onrechte is toegekend.

Nederland wil de onterecht toegekende steun terugvorderen. Wijziging van de subsidieverlening op grond van nationaal recht (4:49 Awb), is echter niet meer mogelijk. Er bestaat dus naar nationaal recht geen grondslag tot wijziging, en als gevolg daarvan, geen grondslag tot terugvordering van de subsidie. De Raad van State vraagt het Hof daarom of het Unierecht, met name verordening 2988/95, verordening 1605/2002 (Financieel reglement) of beschikking 2004/04, in dit geval wel een grondslag biedt voor de terugvordering van de subsidie.

In zijn arrest oordeelt het Hof ten eerste dat verordening 2988/95 geen rechtsgrondslag kan vormen voor de terugvordering van de subsidie. De bepalingen in de verordening zijn daarvoor te algemeen.

Het Hof gaat vervolgens na of artikel 53 ter, lid 2, aanhef en sub c van verordening 1605/2002 een rechtsgrondslag zou kunnen bieden voor de terugvordering van de subsidie. Op grond van dit artikel moeten de lidstaten alle nodige wetgevende, regelgevende, administratieve of andere maatregelen nemen ter bescherming van de financiƫle belangen van de Unie en dienen zij met name ten onrechte betaalde middelen terug te vorderen.

Volgens het Hof is dit artikel voldoende ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk om als rechtsgrondslag te dienen. Daarbij zou een andere lezing van dit artikel volgens het Hof tot gevolg hebben dat verordening nr. 1605/2002 elk nuttig effect zou verliezen en de bescherming van de financiĆ«le belangen van de Unie gevaar zou lopen. Het Hof oordeelt daarom dat artikel 53 ter, lid 2, aanhef en sub c, van verordening 1605/2002, in het geval dat er geen nationale rechtsgrondslag is, een rechtsgrondslag kan bieden voor een besluit van nationale autoriteiten tot terugvordering van een reeds uitbetaalde subsidie in gevallen van gedeeld beheer.

Bij deze uitspraak moet worden opgemerkt dat verordening 1605/2002, die in deze zaak van toepassing was, inmiddels is ingetrokken en vervangen door verordening 966/2012. Artikel 53 ter van verordening 1605/2002 bestaat als zodanig dus niet meer. Wel bevat artikel 59 van verordening 966/2012 een soortgelijke terugvorderingsbepaling. Daarin wordt de lidstaten opgedragen over te gaan tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en in voorkomend geval gerechtelijke procedures in te stellen. Het is daarom niet uitgesloten dat het Hof deze bepaling op een vergelijkbare manier zal interpreteren, en dat artikel 59 van verordening 966/2012 dus ook een rechtsgrondslag zal kunnen bieden voor terugvordering van subsidies in gevallen van gedeeld beheer.