Contentverzamelaar

EU-Hof: Fraude kan leiden tot intrekking verblijfsvergunning gezinsleden
Verblijfsvergunningen die op basis van de richtlijn gezinshereniging zijn verleend en de status van langdurig ingezetene kunnen worden ingetrokken indien is gefraudeerd. Daarbij is volgens het EU-Hof niet van belang of de gezinsleden op de hoogte waren van de fraude. Maar intrekking mag alleen plaatsvinden na een concreet onderzoek naar de situatie van de betrokken gezinsleden. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Raad van State.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 14 maart 2019 in de zaak C-557/17 Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie/Y.Z. e.a.

Feiten en vragen

Y.Z. heeft de Chinese nationaliteit en heeft in 2001 in Nederland een verblijfsvergunning gekregen voor bepaalde tijd en in 2006 voor onbepaalde tijd in verband met zijn gestelde werkzaamheden als manager van een vennootschap. In 2002 kregen ook zijn echtgenote en hun minderjarige zoon verblijfsvergunningen in het kader van gezinshereniging. In 2006 kregen zij een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene.

Vervolgens heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie de verblijfsvergunningen van Y.Z. in 2014 met terugwerkende kracht ingetrokken. Het dienstverband van Y.Z. bleek een schijnconstructie, omdat de vennootschap waar hij in dienst was geen activiteiten ontplooide. Hieruit volgde dat de vergunningen waren verkregen door fraude. Naast de verblijfsvergunningen van Y.Z. werden ook de vergunningen die in het kader van gezinshereniging en langdurig ingezetene aan zijn echtgenote en de zoon waren verleend met terugwerkende kracht ingetrokken. Die waren namelijk verleend op basis van het frauduleuze handelen van Y.Z. Volgens de Staatssecretaris is het niet relevant of de echtgenote en de zoon op de hoogte waren van de het frauduleuze handelen van Y.Z.

De Raad van State vraagt aan het EU-Hof of de Staatssecretaris in dergelijke omstandigheden de aan de echtgenote en de zoon verleende verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd en de verblijfsvergunningen langdurig ingezetene rechtsgeldig kon intrekken, respectievelijk krachtens artikel 16, lid 2, onder a, van richtlijn 2003/86 (gezinshereniging) en krachtens artikel 9, lid 1, onder a, van richtlijn 2003/109 (langdurig ingezetenen).

Beoordeling door het EU-Hof

Het EU-Hof stelt vast dat de richtlijn gezinshereniging lidstaten in beginsel de mogelijkheid biedt om de verblijfstitel van gezinsleden van de gezinshereniger, Y.Z. in de huidige zaak, te mogen intrekken indien fraude is gepleegd bij het verkrijging van die titel. Het EU-Hof verduidelijkt in dat verband dat de richtlijn niet vereist dat voor de intrekking de gezinsleden op de hoogte moeten zijn van de fraude. Daarbij wordt verwezen naar het centrale belang van de gezinshereniger in het stelsel van de richtlijn en de doelstelling om de integratie van gezinsherenigers in de lidstaten te bevorderen door een gezinsleven mogelijk te middels gezinshereniging. De verblijfsrechten van de gezinsleden zijn een van het recht van de gezinshereniger afgeleid recht. Vandaar dat een lidstaat de mogelijkheid moet hebben te oordelen dat de door de gezinshereniger gepleegde fraude gevolgen heeft voor het proces van gezinshereniging in zijn geheel, in het bijzonder voor het afgeleide verblijfsrecht van de gezinsleden. De mogelijkheid moet dus bestaan om de verblijfstitels van die gezinsleden kunnen intrekken, ook wanneer de gezinsleden niet op de hoogte zijn van de fraude.

Het EU-Hof stelt wel dat intrekking van de verblijfsvergunningen gezinshereniging van de gezinsleden alleen kan nadat de nationale instantie vooraf individueel onderzoek heeft gedaan en daarbij een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen heeft verricht. Daarbij dient ook de toetsing aan de grondrechten, waaronder het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven, plaats te vinden. Automatische intrekking is dus niet mogelijk.

Met betrekking tot de status van langdurig ingezetene stelt het EU-Hof dat artikel 9, lid 1, onder a, van richtlijn 2003/109 bepaalt dat een langdurig ingezetene het recht op deze status niet langer mag behouden indien wordt vastgesteld dat die status op frauduleuze wijze is verkregen. Deze bepaling identificeert evenwel niet de persoon die de fraude heeft gepleegd en verlangt evenmin dat de betrokken statushouder ervan op de hoogte was.

Gelet op de uitgebreide rechten die aan de status van langdurig ingezetene zijn verbonden, is het volgens het EU-Hof van belang dat de lidstaten fraude op een efficiënte manier kunnen bestrijden door de status van langdurig ingezetene die op fraude berust, in te trekken. Niemand is gerechtigd om de rechten die hij of zij door middel van fraude op grond van richtlijn 2003/109 heeft verworven, gehandhaafd te zien, ongeacht of die fraude door die persoon zelf is gepleegd en ongeacht of hij of zij daarvan op de hoogte is of niet. De doorslaggevende factor is dat die rechten zijn verworven als gevolg van fraude, zo stelt het EU-Hof.

Het EU-Hof voegt daaraan toe dat het verlies van de status van langdurig ingezetene niet automatisch leidt tot het verlies van het verblijfsrecht in de ontvangende lidstaat. In deze zaak houdt dat in dat de verwijzende rechter, de Raad van State, voor de echtgenote en de zoon die de status van langdurig ingezetene hebben verworven, dient na te gaan of zij hun verblijfsvergunning op basis van gezinshereniging moeten behouden.