Contentverzamelaar

Geen straffeloosheid voor BTW fraudeurs
Een nationale rechter moet een korte verjaringstermijn voor de vervolging van BTW-fraude buiten toepassing laten als die termijn in de praktijk leidt tot straffeloosheid voor de fraudeurs. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van een Italiaanse rechter.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 8 september 2015 in de zaak C-105/14, Tarricco

Het EU-Hof heeft een belangrijke en voor Italië ingrijpende uitspraak gedaan over de Italiaanse verjaringstermijnen in het strafrecht voor de vervolging en veroordeling van BTW-fraudeurs.

De Italiaanse verjaringstermijnen hebben - in combinatie met de complexiteit van de onderzoeken en de notoire traagheid van de rechterlijke molen- tot gevolg dat btw-fraudeurs vaak ongestraft blijven.

Het Hof overweegt dat lidstaten niet alleen de algemene plicht hebben om te zorgen dat de BTW op hun grondgebied wordt geïnd, maar dat zij ook fraude moeten bestrijden. BTW maakt namelijk deel uit van de eigen middelen van de EU en het niet innen van BTW heeft dus direct een negatief effect op de middelen van de Unie. Daarbij wijst het Hof ook op de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (ook wel PIF-overenkomst genoemd). Uit deze overeenkomst volgt dat de lidstaten frauduleuze handelingen die de financiële belangen van de Europese Unie schaden, moeten bestraffen.

Het Hof overweegt dat de financiële belangen van de Unie worden ondermijnd doordat BTW-fraude in Italië vaak onbestraft blijft vanwege de daar geldende verjaringsregels. Indien nationale procedureregels ertoe leiden dat BTW-fraude onbestraft blijft, moeten de nationale rechters die buiten toepassing laten en regels zo toepassen dat fraudeurs worden gestraft en toekomstige fraude wordt voorkomen. Er hoeft dus niet gewacht te worden totdat de wetgever de gewraakte regels heeft gewijzigd. 

Wat betreft de bescherming van de grondrechten van belanghebbenden overweegt het EU-Hof dat  niet-toepassing van de betrokken nationale bepalingen enkel tot gevolg zou hebben dat de algemene verjaringstermijn in een hangende strafprocedure niet wordt verkort, daadwerkelijke vervolging voor de ten laste gelegde feiten mogelijk wordt gemaakt en, in voorkomend geval, de gelijke behandeling van de sancties ter bescherming van de financiële belangen van de Unie respectievelijk van de Italiaanse Republiek wordt verzekerd. Niet-toepassing van het nationale recht zou de rechten van de verdachten, zoals gewaarborgd door artikel 49 van het Handvest Grondrechten, niet schenden en is ook niet in strijd met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, aldus het EU-Hof.