Contentverzamelaar

GGO-richtlijn in beginsel ook van toepassing op mutagenese-organismen
Organismen die door nieuwe vormen van mutagenese zijn verkregen, zijn genetisch gemodificeerde organismen die op grond van het voorzorgsbeginsel onderworpen zijn aan de verplichtingen van de GGO-richtlijn. Zij mogen niet zonder vergunning in het milieu worden geïntroduceerd of op de markt gebracht. Organismen die zijn verkregen met mutagenese technieken die traditioneel zijn gebruikt en die hun veiligheid reeds hebben bewezen, zijn van deze verplichtingen vrijgesteld. Het staat de lidstaten echter vrij ook deze, met inachtneming van het EU-recht, aan de in de GGO-richtlijn vastgestelde verplichtingen of aan andere verplichtingen te onderwerpen. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Franse Raad van State.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 juli 2018 in de zaak C‑528/16, Confédération paysanne.

In tegenstelling tot transgenese is mutagenese een reeks technieken die het mogelijk maken om het genoom van een levende soort te veranderen zonder de inbrenging van vreemd DNA. Mutagenese technieken hebben het mogelijk gemaakt om zaadvariëteiten te ontwikkelen die resistent zijn tegen selectieve herbiciden (onkruidverdelgers die gericht tegen specifiek onkruid kunnen worden ingezet).

Confédération paysanne is een Franse landbouwvereniging die de belangen van de kleinschalige landbouw behartigt. Samen met acht andere verenigingen heeft zij bij de Conseil d'État (Raad van State, Frankrijk) beroep ingesteld tegen de Franse wetgeving, die door mutagenese verkregen organismen vrijstelt van de verplichtingen uit hoofde van richtlijn 2001/18/EG inzake genetisch gemodificeerde organismen (GGO's).  Deze richtlijn bepaalt met name dat GGO's moeten worden toegelaten na beoordeling van de risico's die zij inhouden voor de gezondheid van de mens en voor het milieu, en stelt tevens verplichtingen inzake traceerbaarheid, etikettering en controle vast.

De Confédération paysanne en de andere verenigingen voeren aan dat de mutagenesetechnieken in de loop van de tijd zijn geëvolueerd. Voorafgaand aan de vaststelling van de ggo-regelgeving werden in vivo (in de vrije natuur) alleen conventionele of willekeurige methoden van mutagenese op hele planten toegepast. Vervolgens heeft de technische vooruitgang geleid tot de opkomst van in vitro (in het laboratorium ontwikkelde) mutagenesetechnieken waarmee de mutaties specifiek kunnen worden ingezet om een organisme te verkrijgen dat resistent is tegen bepaalde herbiciden. De Confédération paysanne en de andere verenigingen zijn van mening dat het gebruik van herbicideresistente zaadrassen een risico inhoudt van aanzienlijke schade voor het milieu en voor de gezondheid van mens en dier, net zoals door transgenese verkregen GGO's.

Het is in deze context dat de Conseil d'État het Hof van Justitie heeft verzocht te bepalen of door mutagenese verkregen organismen in wezen GGO's zijn en of zij onderworpen zijn aan de verplichtingen van de GGO-richtlijn.

In zijn arrest stelt het Hof zich in de eerste plaats op het standpunt dat door mutagenese verkregen organismen GGO's zijn in de zin van artikel 2 van de GGO-richtlijn, voor zover de technieken en methoden van mutagenese het genetisch materiaal van een organisme veranderen op een manier die niet in de natuur voorkomt. Daaruit volgt dat deze organismen in beginsel onder de werkingssfeer van de GGO-richtlijn vallen en onderworpen zijn aan de verplichtingen van die richtlijn.

Het Hof stelt echter vast dat uit artikel 3, lid 1, van de GGO-richtlijn blijkt dat deze niet van toepassing is op organismen die door middel van bepaalde mutagenese technieken en -methoden zijn verkregen, namelijk die welke traditioneel in een aantal toepassingen zijn gebruikt en die hun veiligheid reeds hebben bewezen. Het Hof preciseert echter dat de lidstaten vrij zijn om dergelijke organismen, in overeenstemming met het EU-recht (in het bijzonder de regels inzake het vrije verkeer van goederen), te onderwerpen aan de verplichtingen van de GGO-richtlijn of aan andere verplichtingen. Het feit dat deze organismen van het toepassingsgebied van de richtlijn zijn uitgesloten, betekent niet dat deze oranismen door belanghebbenden vrijelijk in het milieu mogen worden geïntroduceerd of op de markt mogen worden gebracht binnen de EU. Het staat de lidstaten dus vrij om op dit gebied wetgeving op te stellen die in overeenstemming is met het EU-recht, met name met de regels inzake het vrije verkeer van goederen.

Met betrekking tot de vraag of de GGO-richtlijn ook van toepassing kan zijn op organismen die zijn verkregen met behulp van mutagenesetechnieken die zich sinds de vaststelling ervan hebben ontwikkeld, is het Hof van oordeel dat de risico's die verbonden zijn aan het gebruik van deze nieuwe mutagenesetechnieken vergelijkbaar kunnen blijken te zijn met de risico's die verbonden zijn aan de productie en introductie van een GGO via transgenese, aangezien de rechtstreekse modificatie van het genetisch materiaal van een organisme door mutagenese dezelfde effecten kan hebben als het inbrengen van een vreemd gen in het organisme (transgenese) en het dankzij deze nieuwe technieken mogelijk is genetisch gemodificeerde rassen te produceren in een percentage dat niet in verhouding staat tot het percentage dat het resultaat is van de toepassing van conventionele methoden voor mutagenese. Gezien deze gedeelde risico's zou het uitsluiten van organismen die met nieuwe mutagenese technieken zijn verkregen, van het toepassingsgebied van de GGO-richtlijn het door die richtlijn nagestreefde doel, namelijk het vermijden van schadelijke effecten op de gezondheid van de mens en het milieu, in gevaar brengen, en het door die richtlijn nagestreefde voorzorgsbeginsel schenden. Hieruit volgt dat de ggo-richtlijn ook van toepassing is op organismen die zijn verkregen door mutagenesetechnieken die sinds de vaststelling ervan zijn ontwikkeld.

Ten slotte onderzoekt het Hof de vraag of door mutagenese verkregen genetisch gemodificeerde rassen moeten voldoen aan een voorwaarde van een andere EU-richtlijn (artikel 4 van Richtlijn 2002/53/EG inzake de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen ), volgens welke een genetisch gemodificeerd ras slechts in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen waarvan het zaad in de handel mag worden gebracht, mag worden opgenomen indien alle passende maatregelen zijn genomen om risico's voor de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen. Het Hof is van oordeel dat het begrip 'genetisch gemodificeerd ras' moet worden uitgelegd als een verwijzing naar het begrip 'ggo' in de ggo-richtlijn, zodat door mutagenese verkregen rassen die onder die richtlijn vallen aan bovengenoemde voorwaarde moeten voldoen. Rassen die met behulp van mutagenese zijn verkregen, zijn daarentegen vrijgesteld van deze verplichting, indien zij vanouds in een aantal toepassingen worden gebruikt en hun veiligheid reeds hebben bewezen.