Contentverzamelaar

Inburgeringsexamen voor derdelanders in beginsel toegestaan
Van derdelanders die zich bij hun partner willen voegen in Nederland, kan vereist worden dat zij met goed gevolg een inburgeringsexamen afleggen. In individuele gevallen moet vrijstelling van de examenplicht mogelijk zijn. Daarnaast mogen de kosten niet zo hoog zijn dat zij een belemmering vormen voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging. Dat adviseert advocaat-generaal Kokott het EU-Hof in antwoord op vragen van de Nederlandse Raad van State.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Kokott van 26 maart 2015 in zaak C-153/14, K en A.

Nederland vereist voor de gezinshereniging van echtparen waarvan beide partners derdelanders zijn, dat degene die zich bij zijn echtgenoot wil voegen, vóór de binnenkomst met goed gevolg een inburgeringsexamen aflegt over de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse maatschappij. De kosten van het examen bedragen 350 euro. Deze kosten dienen ook voor een herkansing te worden betaald. Een zelfstudiepakket, ter voorbereiding van het examen, kost 110 euro.

De Raad van State had het Hof de vraag voorgelegd of dit examen verenigbaar is met Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging.

De advocaat-generaal concludeert dat het inburgeringsexamen een in beginsel toelaatbare integratievoorwaarde is in de zin van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Het leren van de taal van het land is een essentiële voorwaarde voor integratie. Kennis van de taal vergroot niet alleen de kansen van derdelanders op de arbeidsmarkt, maar maakt het ook mogelijk dat zij in noodsituaties zelfstandig de hulp kunnen inroepen van instanties in het land van ontvangst, aldus de advocaat-generaal. Basiskennis over de samenleving zorgt er bovendien voor dat gezinsleden die zich bij de gezinshereniger voegen, vertrouwd raken met belangrijke basisregels van het samenleven, wat misverstanden en schendingen van rechtsregels kan helpen voorkomen, zo concludeert de advocaat-generaal. Dat bepaalde staatsburgers, zoals Amerikanen en Canadezen, op grond van bilaterale overeenkomsten zijn vrijgesteld van het inburgeringsexamen vindt de advocaat-generaal verenigbaar met de richtlijn.

Echter, de advocaat-generaal acht het onverenigbaar met de Gezinsherenigingsrichtlijn indien het inburgeringsexamen ook vereist is in situaties waarin dit voor het gezinslid niet redelijk is, op grond van de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. De beoordeling hiervan is aan de nationale rechter. De advocaat-generaal geeft daarbij aan dat bijvoorbeeld de gezondheidstoestand van de betrokkene, zijn cognitieve vaardigheden en zijn opleidingsniveau, maar ook factoren als de beschikbaarheid van voor hem begrijpelijk voorbereidingsmateriaal, de ontstane kosten en de tijdsdruk in dat verband van belang zijn.

Volgens advocaat-generaal Kokott verzet de richtlijn zich bovendien tegen nationale bepalingen die aan een inburgeringsexamen te hoge kosten verbinden. Dit is het geval indien deze kosten en de inning ervan voor het gezinslid dat zich bij de gezinshereniger wil voegen, een belemmering kunnen vormen om zijn recht op gezinshereniging uit te oefenen. Het bedrag van 350 euro acht de advocaat-generaal niet evenredig. Een vrijstelling of uitstel van betaling kan hiervoor een oplossing zijn. Of en in hoeverre dit naar Nederlands recht mogelijk is, laat de advocaat-generaal aan de Raad van State om te overleggen.