Kennisgeving van terugtrekking uit EU kan eenzijdig worden ingetrokken.
Een lidstaat die de Europese Raad in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om zich uit de EU terug te trekken, zoals het VK heeft gedaan, kan die kennisgeving eenzijdig weer intrekken. Dit kan zolang de gesloten terugtrekkingsovereenkomst nog niet in werking is getreden of, als zo een overeenkomst niet is gesloten, zolang de periode van twee jaar vanaf de kennisgeving, en de eventuele verlenging ervan, niet is verstreken. De intrekking zou betekenen dat de status van die lidstaat en de voorwaarden van zijn EU-lidmaatschap ongewijzigd blijven. Een eventuele intrekking van de kennisgeving moet schriftelijk bij de Europese Raad worden ingediend en zowel ondubbelzinnig als onvoorwaardelijk zijn.

Het betreft de uitspraak van het voltallig EU-Hof in zaak C-621/18 PPA Whightman.

Het EU-Hof heeft in lijn met het advies van de advocaat generaal de vragen van de Schotse rechter beantwoord. Verschillende Schotse parlementsleden en Europarlementariërs hebben de Schotse rechter verzocht om nadere uitleg te vragen aan het EU-Hof over de procedure van artikel 50 VEU. In het bijzonder wilden zij weten of het VK de kennisgeving om de EU te verlaten eenzijdig kan worden ingetrokken.

De verwijzende rechter wijst erop dat de goedkeuring van het parlement van het VK goedkeuring moet geven aan het resultaat van de onderhandelingen tussen het VK en de EU. De terugtrekkingsovereenkomst kan alleen worden geratificeerd als die en het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen het VK en de EU zijn goedgekeurd bij resolutie van het Lagerhuis en in het Hogerhuis zijn besproken. De regering moet bij uitblijven van goedkeuring of als de premier vóór 21 januari 2019 verklaart dat er geen principeakkoord kan worden bereikt, aangeven wat dan het vervolgplan is en ook dat voorstel aan beide kamers van het parlement van het VK voorleggen. Zonder overeenkomst tussen het VK en de EU zullen de verdragen op 29 maart 2019 niet langer van toepassing zijn op het VK en verlaat het automatisch de Europese Unie op die datum.

De vraag van de Schotse rechter is volgens het VK niet-ontvankelijk omdat het hypothetisch zou zijn en er geen reëel geschil aan ten grondslag zou liggen. Het EU-Hof brengt in herinnering dat het uitsluitend aan de verwijzende rechter is om de noodzaak en relevantie te bepalen van prejudiciële vragen aan het EU-Hof en, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak, bevoegd is vragen te beantwoorden over de uitleg van Unierecht. Het oordeelt dat er een reële kwestie aan de orde is gesteld die tot een geschil heeft geleid dat de Schotse rechter moet oplossen. De uitspraak van de Schotse rechter zal de opties voor parlementsleden verduidelijken wanneer zij moeten beslissen over de ratificatie van de terugtrekkingsovereenkomst die is uit onderhandeld tussen het VK en de EU. Volgens het EU-Hof is de vraag over de uitleg van artikel 50 VEU dus relevant en niet hypothetisch, omdat dit juist het twistpunt in de aanhangige zaak is.

Met betrekking tot de inhoudelijke vraag stelt het EU-Hof vast dat artikel 50 VEU niet rept over de herroeping van de kennisgeving. Het verbiedt noch staat het de herroeping dus uitdrukkelijk toe. Het EU-Hof volgt de advocaat generaal in zijn advies dat het allereerst een kennisgeving van de intentie is om de EU te verlaten. Artikel 50 VEU streeft volgens het EU-Hof enerzijds naar verankering van het soevereine recht van een lidstaat om zich uit de EU terug te trekken en anderzijds naar vaststelling van een procedure om een dergelijke terugtrekking op ordelijke wijze te laten plaatsvinden. Volgens het EU-Hof ondersteunt het soevereine karakter van het herroepingsrecht de conclusie dat de betrokken lidstaat het recht heeft om de kennisgeving van zijn voornemen om de EU te verlaten, in te trekken zolang een terugtrekkingsovereenkomst niet in werking is getreden of, indien geen dergelijke overeenkomst is gesloten, zolang de termijn van twee jaar, en een eventuele verlenging van die termijn, niet is verstreken.

Bij gebreke van een uitdrukkelijke bepaling over de intrekking van de kennisgeving is deze intrekking onderworpen aan de regels van artikel 50, lid 1, VEU. Dat betekent dat daartoe eenzijdig over kan worden besloten overeenkomstig de grondwettelijke bepalingen van de betrokken lidstaat. De intrekking door een lidstaat van de kennisgeving van zijn voornemen om de EU te verlaten vloeit voort uit een soeverein besluit om zijn status van lidstaat van de EU te behouden, een status die door die kennisgeving nog niet wordt geschorst of gewijzigd. Het EU-Hof is van oordeel dat het in strijd zou zijn met het doel van de EU-Verdragen om een lidstaat die, na de kennisgeving voor terugtrekking uit de EU die via een democratisch proces weer wil intrekken, te dwingen om toch te EU te verlaten.

Als dit recht op herroeping wordt onderworpen aan de unanieme goedkeuring van de Europese Raad, zoals de Commissie en de Raad hebben voorgesteld, wordt een eenzijdig soeverein recht omgezet in een voorwaardelijk recht. Dat is onverenigbaar met het beginsel dat een lidstaat niet kan worden gedwongen om de Europese Unie tegen zijn wil te verlaten, aldus het EU-Hof.

Een dergelijke intrekking bevestigt bijgevolg het EU-lidmaatschap van de betrokken lidstaat onder ongewijzigde voorwaarden wat betreft zijn status als lidstaat en maakt een einde aan de intrekkingsprocedure. Het EU-Hof wijst er tot slot op dat de intrekking van de kennisgeving schriftelijk bij de Europese Raad moet worden ingediend en in de tweede plaats ondubbelzinnig en onvoorwaardelijk moet zijn. Dat betekent dat intrekking tot doel heeft het EU-lidmaatschap van de betrokken lidstaat te bevestigen onder ongewijzigde voorwaarden wat zijn status als lidstaat betreft, en dat de intrekking een einde maakt aan de intrekkingsprocedure.

Meer informatie:

Persbericht EU-Hof