Contentverzamelaar

KPN-tarieven voor doorverbinding naar 0900-nummers mogen worden beperkt
De Nederlandse wetgeving, waarbij maxima worden vastgesteld voor de tarieven die KPN mag aanrekenen voor transitdiensten naar o.a. 0900-nummers, strookt met het EU-recht. Dat is het advies van advocaat-generaal Bot aan het EU-Hof op vagen van het Nederlandse College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal Bot van 16 april 2015 in de zaak C-85/14, KPN BV tegen Autoriteit Consument en Markt (ACM)

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft het EU-Hof vragen gesteld over de tarieven die KPN in rekening mag brengen voor haar transitdienst naar niet-geografische nummers (zoals 0900-nummers).

Op 1 juli 2013 is artikel 5 van het Nederlandse Besluit Interoperabiliteit gewijzigd. Vanaf dat moment mogen aanbieders van telefonie aan consumenten die niet-geografische nummers bellen (zoals 0900-nummers) geen tarieven in rekening brengen die hoger zijn dan tarieven voor het bellen naar geografische nummers (ofwel normale vaste nummers, zoals 020 of 070-nummers).

Van transitdiensten is sprake als de telefonie aanbieder van de beller en de telefonie aanbieder waarop het niet-geografische nummer is aangesloten, niet dezelfde zijn. In dat geval zorgt de transitdienst van KPN voor de verbinding tussen de beide aanbieders.

KPN rekent de kosten voor de transitdienst aan andere telefonie aanbieders, die deze kosten uiteindelijk doorberekenen in de tarieven die consumenten betalen. KPN rekent voor transit naar niet-geografische nummers tarieven die hoger zijn dan de tarieven voor transit naar geografische nummers, ook als rekening wordt gehouden met extra kosten die alleen worden gemaakt in het geval van bellen naar niet-geografische nummers.

Op 18 oktober 2013 legde de Autoriteit Consument en Markt (ACM) een last onder dwangsom op. Daarop vroeg KPN op 25 oktober 2013 een voorlopige voorziening aan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. De last onder dwangsom werd daarbij door ACM opgeschort. Het CBb doet pas einduitspraak als het Hof van Justitie prejudiciƫle vragen heeft beantwoord.

Samengevat heeft het CBb de volgende vraag gesteld: Staat artikel 28 van de universeledienstrichtlijn (2002/02) een tariefbeperking jegens aanbieders van transitdiensten toe? Dit is in wezen de kernvraag waarop het Hof in de onderhavige zaak is verzocht te antwoorden.

Volgens KPN en de Europese Commissie moet deze vraag ontkennend worden beantwoord om, zakelijk weergegeven, de volgende drie redenen. Ten eerste regelt artikel 28 van de universeledienstrichtlijn niet de verhoudingen tussen de aanbieders (groothandelsmarkt). Het is enkel van toepassing op de verhoudingen tussen aanbieders en particulieren (eindgebruikersmarkt). Ten tweede staat het Europese regelgevingskader de vaststelling van de nationale tariefmaatregel enkel toe na een marktanalyse door de nationale regelgevende instantie (hier de ACM), jegens een exploitant met een aanzienlijke marktmacht op de betrokken markt, en niet, zoals in casu, jegens een groep aanbieders. Ten derde is enkel de nationale regelgevende instantie, en niet de Nederlandse regering, de bevoegde nationale instantie om een dergelijke maatregel op te leggen.

In zijn conclusie zet Advocaat-generaal Bot uiteen waarom hij van oordeel is dat het antwoord op deze vraag daarentegen bevestigend moet luiden. Volgens hem moet artikel 28 van de universeledienstrichtlijn aldus worden uitgelegd dat het er zich niet tegen verzet dat een andere instantie dan een nationale regelgevende instantie een tariefmaatregel afkondigt, zonder dat in een marktanalyse naar voren is gekomen dat een exploitant over een aanmerkelijke marktmacht beschikt, mits deze maatregel nodig is om de rechten te waarborgen die eindgebruikers aan artikel 28 ontlenen, hetgeen aan de nationale rechter staat om na te gaan.

De conclusie van de advocaat-generaal is een niet-bindend advies. De uitspraak van het Hof wordt over enkele maanden verwacht.