Contentverzamelaar

Leeftijdsdiscriminatie bij de fiscale aftrek van studiekosten?
Nederlandse wetgeving die onderscheid maakt op grond van leeftijd bij de fiscale aftrek van scholingskosten is niet in strijd met het EU-recht, mits dit een legitiem doel nastreeft en voldoet aan de vereisten van geschikt- en evenredigheid. Dat blijkt uit het arrest van het EU-hof in de zaak De Lange.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 10 november 2016 in de zaak C-548/15

In deze zaak heeft het Hof zich gebogen over de vraag of een verschil in behandeling tussen personen onder en boven de 30 jaar bij de fiscale aftrek van studiekosten toelaatbaar is onder richtlijn 2000/78. Deze richtlijn verbiedt onder meer discriminatie op grond van leeftijd in arbeid en beroep, inclusief beroepsonderwijs.

De Lange, in opleiding voor verkeersvlieger, wilde de scholingskosten voor zijn opleiding volledig in aftrek brengen op zijn belastbare inkomen. Op grond van de Nederlandse inkomstenbelasting kwam hij als 30-plusser echter niet voor volledige aftrek in aanmerking. Personen onder de 30 jaar kwamen onder voorwaarden daarvoor wel in aanmerking.

In cassatie bij de Hoge Raad stelde de Lange dat er sprake was van leeftijdsdiscriminatie die verboden is onder richtlijn 2000/78. De Hoge Raad twijfelde of de richtlijn wel van toepassing is op een belastingregeling over de aftrek van studiekosten. Zo ja, dan wilde de Hoge Raad ook weten of het verschil in behandeling dat met die regeling wordt gemaakt, objectief kan worden gerechtvaardigd.

Het Hof oordeelt dat een regeling zoals de onderhavige valt binnen de materiele werkingssfeer van de richtlijn. Daarbij acht het Hof leidend dat de financiele gevolgen die uit de belastingregeling voortvloeien van invloed kunnen zijn op de effectieve toegang tot een beroepsopleiding. Met het fiscale voordeel wordt namelijk beoogd de toegang van jongeren tot een opleiding en hun positie op de arbeidsmarkt te faciliteren.

Vervolgens beoordeelt het Hof of het verschil in behandeling op grond van leeftijd gerechtvaardigd kan worden op grond van artikel 6 van de richtlijn. Dit artikel verlangt dat het verschil in behandeling wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en dat de middelen om dat doel te bereiken passend (geschikt) zijn en niet verder gaan dan noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken (evenredigheidsvereiste).

Het Hof oordeelt dat het streven om de positie van jongen op de arbeidsmarkt te beschermen een legitieme doelstelling is in de zin van artikel 6 van de richtlijn. Het is aan de verwijzende rechter om te beoordelen of het betwiste belastingvoordeel een geschikt middel is om dit doel te bereiken. Het Hof oordeelt vervolgens dat de Nederlandse regering als evenredig moet worden beschouwd. Personen boven de 30 worden door de regeling namelijk niet bovenmatig benadeeld (zij hebben elk jaar opnieuw het recht om Euro 15.000 in aftrek te brengen); bovendien hebben personen boven de 30 doorgaans al een opleiding gevolgd en bevinden zij zich doorgaans in een betere financiele positie dan schoolverlaters.

Al met al concludeert het Hof dat de Nederlandse regeling door de Unierechtelijke beugel kan, mits deze een legitiem doel nastreeft en voldoet aan de vereisten van geschikt- en evenredigheid. Het staat ter beoordeling van de Hoge Raad om na te gaan of dit in het hoofdgeding het geval is.