Contentverzamelaar

Lidstaten mogen overtreding inreisverbod bestraffen
Lidstaten mogen strafbaar stellen dat een derdelander ondanks een eerder opgelegd inreisverbod opnieuw op het grondgebied van die lidstaat verblijft. Zij mogen daartoe ook een gevangenisstraf opleggen. Dat blijkt uit het arrest van het EU-Hof in de zaak Celaj.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 1 oktober 2015 in de zaak C-290/14, Celaj.

Celaj, een Albanees onderdaan, heeft in 2012 een terugkeerbesluit met een inreisverbod ontvangen van de Italiaanse autoriteiten. In 2014 werd hij opnieuw aangetroffen in Italië, waarna de Italiaans openbaar aanklager een strafrechtelijke procedure tegen hem begon. De maximaal op te leggen straf is vier jaar gevangenisstraf. De Italiaanse rechter vraagt aan het EU-Hof of het in overeenstemming is met de EU-terugkeerrichtlijn dat lidstaten de overtreding van het inreisverbod strafrechtelijk vervolgen, zonder eerst opnieuw terugkeermaatregelen te nemen.

In tegenstelling tot de AG beantwoordt het Hof deze vraag positief. Het had al eerder geoordeeld dat lidstaten illegaal verblijf strafbaar mogen stellen, zolang de uitvoering van het terugkeerbesluit niet wordt gehinderd (arresten EL-Dridi, Achighbabian, Sagor). Indien lidstaten de uitvoering van een terugkeerbesluit laten voorafgaan door strafrechtelijke vervolging en gevangenisstraf kan dat wel de uitvoering van het terugkeerbesluit vertragen.

In het geval van Celaj zijn de maatregelen van de EU-terugkeerrichtlijn al eens toegepast en gaat het nu om het sanctioneren van de overtreding van het opgelegde inreisverbod. Volgens het Hof mogen lidstaten in zo’n situatie strafrechtelijk optreden, ook als dat leidt tot een gevangenisstraf. Daarbij moeten fundamentele rechten en vluchtelingenrechten gerespecteerd worden.