Contentverzamelaar

Luxemburgse rechters geven voorrang aan openbaarheid boven privacy
Het EU-Gerecht en het EU-Hof hebben zich gebogen over de wisselwerking tussen de EU-privacyverordening en de Eurowob. Op verzoek van de journalist Dennekamp moet het Europees Parlement de namen vrijgeven van EP-leden die deelnemen aan de aanvullende EP-pensioenregeling. Op verzoek van ClientEarth moet de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid de namen van de ingeschakelde experts bekend maken.

Het gaat om het arrest van het EU-Gerecht van 15 juli 2015 in zaak T-115/13 Dennekamp/Parlement en het arrest van het EU-Hof van 16 juli 2015 in zaak C-615/13 P ClientEarth/Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA).

EU-privacyverordening
Als een verzoek aan een EU-instelling om openbaarmaking van documenten ertoe strekt toegang te krijgen tot persoonsgegevens, zijn de bepalingen van de privacyverordening nr. 45/2001 in volle omvang van toepassing. Volgens artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 mogen persoonsgegevens in beginsel enkel worden doorgegeven indien de ontvanger de noodzaak van hun doorgifte aantoont en er geen reden bestaat om aan te nemen dat de rechtmatige belangen van de betrokkene worden geschaad.

Dennekamp/Europees Parlement
Gert-Jan Dennekamp, journalist van de NOS, heeft in 2012 het EP verzocht om toegang tot documenten waaruit blijkt welke huidige en voormalige leden van het Europese Parlement aangesloten zijn bij de aanvullende pensioenregeling. Dit om mogelijke belangenconflicten van de leden aan het licht te brengen. Het potentiële belangenconflict zit hem er in dat de leden met hun stemgedrag wijzigingen kunnen aanbrengen in de aanvullende pensioenregeling, terwijl zij zelf begunstigden van die regeling zijn.

In het bestreden besluit heeft het Parlement primair betoogd dat verzoeker niet had aangetoond dat de doorgifte van persoonsgegevens noodzakelijk was. Volgens het Gerecht heeft het EP een beoordelingsfout gemaakt door te stellen dat Dennekamp niet de noodzaak had aangetoond van de doorgifte van de namen.  Gelet op het doel, het aan het licht brengen van potentiële belangenconflicten van de parlementsleden, was doorgifte volgens het Gerecht wel degelijk noodzakelijk. Om dit belangenconflict aan te kunnen tonen is het namelijk noodzakelijk om te weten welke van de Europarlementariërs die aangesloten waren bij de regeling eveneens deelnamen aan de plenaire vergadering over diezelfde regeling.

Ook komt het Gerecht tot het oordeel dat het EP een beoordelingsfout heeft gemaakt door te oordelen dat de doorgifte van de namen van de aan de regeling deelnemende parlementsleden, de rechtmatige belangen van die leden kan schaden. Volgens het Gerecht hoeven belangen van de parlementsleden die verband houden met de publieke sfeer, een mindere mate van bescherming te genieten dan de belangen die verband houden met hun privésfeer. Alleen parlementsleden kunnen meedoen aan de aanvullende pensioenregeling. Omdat een mandaat als volksvertegenwoordiger noodzakelijk is voor participatie, maken de betrokken persoonsgegevens volgens het Gerecht deel uit van de publieke sfeer van de parlementsleden. In dit verband concludeert het Gerecht dat de rechtmatige belangen van de aan de regeling deelnemende leden, vanwege hun publieke karakter niet kunnen worden aangetast door de doorgifte van de betrokken persoonsgegevens. Het Gerecht wijst hier op het gewicht van de door Dennekamp aangevoerde belangen, die de goede werking van de Unie beogen te verzekeren door het gerechtvaardigd vertrouwen van burgers in de instellingen te ontwikkelen. Het Gerecht vernietigt daarom het besluit van het EP.

Clientearth/Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA)
Op 10 november 2010 heeft ClientEarth de EFSA verzocht om toegang tot documenten op grond van openbaarheidsverordening nr. 1049/2001 (de “Eurowob”). Dit verzoek betrof documenten over de voorbereiding van ontwerprichtsnoeren met betrekking tot de toelating tot de markt van gewasbeschermingsmiddelen. Uiteindelijk heeft de EFSA ClientEarth onder meer toegang verleend tot de individuele opmerkingen over de ontwerprichtsnoeren van de externe deskundigen. De namen van die deskundigen waren echter onleesbaar gemaakt. De EFSA wees er in dat verband op dat openbaarmaking van de namen van die deskundigen een doorgifte van persoonsgegevens inhield in de zin van artikel 8 van verordening nr. 45/2001 en dat niet was voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarden voor een dergelijke doorgifte. Het Gerecht ging hier in mee.

Het Gerecht had volgens het Hof echter ten onrechte aangenomen dat er geen noodzaak zou zijn om de gegevens door te geven. De informatie had betrekking op personen die als betaalde deskundigen hebben deelgenomen aan de totstandkoming van richtsnoeren bestemd voor ondernemers voor de toelating tot de markt van gewasbeschermingsmiddelen. Dit terwijl er een klimaat van wantrouwen ten aanzien van de EFSA bestaat. De EFSA wordt vaak beschuldigd van partijdigheid omdat zij een beroep doet op deskundigen die banden hebben met de industrie. Openbaarmaking van die informatie was volgens het Hof in deze context dus noodzakelijk om de transparantie te waarborgen van de procedure voor de vaststelling van deze richtsnoeren. Het bestreden arrest is daarom vernietigd.

Vervolgens doet het Hof de zaak zelf af door het verzoek ook aan de tweede voorwaarde uit artikel 8, onder b), van verordening nr. 45/2001 te toetsen: bestond er een reden om aan te nemen dat die doorgifte de rechtmatige belangen van de betrokkenen had kunnen schaden? Volgens het Hof heeft de EFSA met betrekking tot deze vraag slechts algemene overwegingen naar voren gebracht, terwijl het verplicht was te onderzoeken of de gevraagde openbaarmaking concreet en daadwerkelijk de persoonlijke levenssfeer en integriteit van die deskundigen had kunnen schaden. Ook het besluit van de EFSA is daarom vernietigd.