Motiveringsplicht Raad voor handhaving EU-sancties Tamil Tijgers geldt ook voor info van derde landen

Contentverzamelaar

Motiveringsplicht Raad voor handhaving EU-sancties Tamil Tijgers geldt ook voor info van derde landen
De Raad moet motiveren of de rechten van betrokkenen zijn gerespecteerd als het gaat om een beslissing van een derde land die ten grondslag ligt aan de beslissing om de plaatsing op de EU-sanctielijst te handhaven. Die beslissing moet ook op recente bewijselementen berusten, aldus het EU-Hof.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 26 juli 2017 in de zaak C-599/14 P, Raad tegen LTTE.

Op 29 mei 2006 heeft de Raad op grond van verordening 2580/2001 de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) opgenomen op de EU-sanctielijst. Door personen of entiteiten op deze lijst te plaatsen, krijgen zij te maken met beperkende maatregelen zoals de bevriezing van financiële middelen. Volgens de Raad is LTTE een terroristische groepering en heeft ze na 2005 een aantal terroristische aaslagen gepleegd. Bij de uitvoeringsverordening nr. 687/2011 en latere verordeningen van de Raad is de plaatsing van de LTTE op de lijst gehandhaafd.

LTTE is het daar niet mee eens en stelt beroep in bij het EU-Gerecht. In het beroep voert de organisatie o.a. aan dat er geen evaluatie heeft plaatsgevonden en haar recht op effectieve rechtsbescherming is geschonden. Het EU-Gerecht heeft die argumenten aanvaard en de handelingen van de Raad nietig verklaard.

De Raad stelt hiertegen hoger beroep in bij het EU-Hof.

In hoger beroep stelt de Raad ten eerste dat hij niet hoeft na te gaan of de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte zijn gerespecteerd indien het gaat om een beslissing van een derde land. Het EU-Hof verwerpt die stelling. De motiveringsplicht geldt ook voor beslissingen van derde landen. De plicht stelt betrokkenen namelijk in staat om kennis te nemen van de redenen waarom zij op de lijst worden gezet en daar zonodig beroep tegen in te stellen. Daarnaast geeft het de Unierechter de kans om de rechtmatigheid van de handeling te toetsen. De motiveringsplicht levert overigens geen inmenging in de interne aangelegenheden van het derde land. Er kan immers summier worden gemotiveerd.

Ten tweede voert de Raad aan dat hij niet telkens opnieuw redenen hoeft aan te dragen voor de handhaving van organisaties op de lijst. De oorspronkelijke beslissing voor de plaatsing op de lijst is voldoende zolang er geen feiten zijn die daartegen pleiten. Het EU-Hof denkt daar anders over. Als er veel tijd verstrijkt tussen de aanvankelijke plaatsing op de lijst en het handhaven van die beslissing, is de Raad verplicht om met recentere elementen aan te tonen dat er nog steeds een terroristische dreiging van de organisatie uitgaat.

Als laatste gaat het EU-Hof in op de vraag of de Raad zich bij de handhaving van een plaatsing mag baseren op andere informatie dan de beslissingen van de bevoegde instanties van lidstaten. Dat mag, aldus het EU-Hof (lees ook ECER-bericht: EU-Hof bevestigt handhaving van Hamas op EU-sanctielijst). In dit geval heeft de Raad echter ontoereikend gemotiveerd waarom er – na de militaire nederlaag die LTTE in 2009 geleden heeft – nog steeds een terroristische dreiging van de groepering uitgaat.

Het EU-Hof komt tot de conclusie dat de argumenten van de Raad niet kunnen worden aanvaard en wijst daarom het hoger beroep af.