Contentverzamelaar

Nederlandse inburgeringstest langdurig ingezetenen is onevenredig
Een inburgeringsplicht die wordt opgelegd aan personen met de EU-status van langdurig ingezetene is niet in strijd met het Unierecht voor zover deze geen voorwaarde voor het behoud van die status vormt. De Nederlandse verplichting voor langdurig ingezetenen tot het behalen van een inburgeringsexamen en de geldboete bij niet-nakoming van deze verplichting is echter onevenredig. Dat is het advies van advocaat-generaal Szpunar aan het EU-Hof.

Het gaat om de conclusie van advocaat-generaal (A-G) Szpunar van 28 januari 2015 in de zaak C-579/13, P en S.

Deze zaak heeft betrekking op twee onderdanen van derde landen die in Nederland wonen met de status van langdurig ingezetene als bedoeld in de de EU-richtlijn betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen ( richtlijn 2003/109. De Centrale Raad van Beroep vraagt het Hof in deze zaak of het opleggen van een inburgeringstest aan langdurig ingezetenen, en de sanctionering van de niet-nakoming hiervan met een boete, verenigbaar is met de EU-richtlijn.

De A-G beklemtoont dat nationale bepalingen die integratiemaatregelen opleggen aan een langdurig ingezetene, binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen en dat de handelingsvrijheid van lidstaten op dit gebied niet zo mag worden gebruikt dat afbreuk wordt gedaan aan het doel of het nuttig effect van de richtlijn. De richtlijn heeft als doel langdurig ingezetenen aan te sporen om deel te nemen aan het economische en sociale leven van het land van verblijf. De A-G is van mening dat het opleggen van integratiemaatregelen aan langdurig ingezetenen op zich niet in strijd is met de doelstellingen of de systematiek van de richtlijn, zolang de maatregelen beogen de integratie van de persoon te vergemakkelijken. Echter, indien het behalen van een verplichte inburgeringstest een voorwaarde is voor het behoud van de status van langdurig ingezetene, dan zou dit wel in strijd zijn met de richtlijn. Uit de nationale bepalingen die van toepassing zijn, vloeit voort dat het behalen van het inburgeringsexamen geen voorwaarde is voor het behouden van de status van langdurig ingezetene of voor het behouden van de rechten die uit die status voortvloeien. De oplegging van een geldboete is het enige negatieve gevolg van niet-nakoming van de verplichting.

De nationale maatregelen dienen hiernaast echter ook in overeenstemming te zijn met het evenredigheidsbeginsel. Met betrekking tot langdurig ingezetenen mag de inburgeringsplicht de uitoefening van de aan die status verbonden rechten derhalve niet buitensporig moeilijk maken. De A-G stelt dat personen die sinds langere tijd wonen in een bepaald land, ongetwijfeld zijn verbonden met dat land door een netwerk van integratiebanden die verband houden met het gezin, het uitgeoefende beroep, het buurtleven en hobby’s. Een integratiemaatregel die geen individuele beoordeling van dergelijke omstandigheden toestaat, is derhalve onevenredig gelet op het doel, de verdere integratie van de betrokken persoon in de samenleving te vergemakkelijken. Evenzo is de in het Nederlandse recht vastgestelde sanctie in de vorm van een geldboete in het geval van niet-nakoming van de inburgeringsplicht, volgens de A-G onevenredig.