Contentverzamelaar

Niet met terugwerkende kracht recht op AOW op grond van het EU-recht
Nederland heeft niet in strijd gehandeld met de sociale zekerheidsverordening 1408/71 en het vrij verkeer van werknemers door geen AOW-uitkering toe te kennen aan de Oostenrijkers Rotwangl en Wieland. Dat heeft het EU-Hof geantwoord op vragen van de Nederlandse Centrale Raad van Beroep.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 27 oktober 2016 in de zaak C-465/14, Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank tegen F. Wieland, & H. Rotwangl.

Wieland en Rotwangl waren in de jaren ‘60 van de vorige eeuw als zeelieden werkzaam op de Holland Amerikalijn. Niet-Nederlandse zeelieden waren destijds uitgesloten van een AOW verzekering. Ten tijde van hun werkzaamheden was Verordening 1408/71 nog niet in werking getreden. Ook was Oostenrijk toen nog geen lid van de toenmalige EEG. Hun aanvraag van een AOW-uitkering vindt echter plaats op een tijdstip waarop de verordening wel van toepassing is en Oostenrijk inmiddels lid is van de EU. De Sociale verzekeringsbank weigert hun aanvragen. De verwijzende rechter vraagt of deze weigeringen in strijd zijn met onder meer de verordening en het Verdrag.

Weliswaar zijn rechten van vrij verkeer uitgeoefend toen voor de HAL werd gewerkt, maar dit betekent volgens het Hof nog niet dat tijdvakken van ouderdomsverzekering in Nederland zijn vervuld (punt 64). Het Hof oordeelt dat een dergelijke uitsluiting niet verboden was op het tijdstip van de feiten en van het hoofdgeding, omdat Oostenrijk nog niet was toegetreden tot de Unie (punt 64). Het Hof voegt hieraan toe dat uit de Toetredingsakte van Oostenrijk geen enkele verplichting volgt voor de bestaande lidstaten om Oostenrijkse onderdanen vóór de toetreding van Oostenrijk tot de Unie op dezelfde wijze te behandelen als zij de onderdanen van de andere lidstaten behandelen (punt 71).

De uitkomst is in lijn met de Nederlandse inbreng.