Onterechte financiële sancties voor man op grond van antiterrorismeregels

Contentverzamelaar

Onterechte financiële sancties voor man op grond van antiterrorismeregels
De minister van Buitenlandse Zaken mocht de financiële tegoeden van een man uit Den Haag niet bevriezen. Deze financiële sancties legde hij op in 2010. Ze waren een rechtstreeks gevolg van het besluit van de minister om de man vanwege zijn activiteiten voor de Liberation Tigers of Tamil Eelam (beter bekend als de Tamiltijgers) ‘aan te wijzen’ op grond van antiterrorismeregels. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat dit aanwijzingsbesluit van de minister onterecht was.

Het gaat om de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 juni 2020: ECLI:NL:RVS:2020:1468

Deze zaak gaat over financiële sancties, waaronder het bevriezen van tegoeden, die de minister van Buitenlandse Zaken in 2010 aan een man heeft opgelegd. Volgens de minister van Buitenlandse Zaken was de man betrokken bij terroristische activiteiten, omdat hij een actieve rol speelde binnen de Liberation Tigers of Tamil Ealam (LTTE). De minister heeft zich bij de vaststelling van het aanwijzingsbesluit onder meer gebaseerd op het feit dat de EU de LTTE op de Europese terrorismelijst had geplaatst.

De man heeft zonder succes bezwaar ingesteld tegen het aanwijzingsbesluit en vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Tijdens de behandeling van de zaak voor de rechtbank beriep de man zich op twee gronden. Ten eerste het vonnis van een rechtbank in een strafrechtelijke procedure jegens dezelfde man. In dit vonnis oordeelde de rechtbank dat LLTE niet als een terroristische organisatie kon worden beschouwd. De LLTE was verwikkeld geraakt in een gewapend conflict en gewapende conflicten zijn expliciet uitgesloten van het toepassingsgebied van de EU-antiterrorismeregels op strafrechtelijk gebied. Ten tweede beriep de man zich op het beroep dat LLTE voor het EU-Gerecht had ingesteld tegen de plaatsing van LLTE op de Europese terrorismelijst. Ten tijde van de uitspraak van de rechtbank had het EU-Gerecht nog geen definitieve beslissing gegeven in deze zaak.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Gezien het oordeel van de strafrechter dat de LLTE geen terroristische organisatie kon zijn, twijfelde de Afdeling of de LLTE terecht op de Europese terrorismelijst was geplaatst en besloot prejudiciële vragen aan het EU-Hof te stellen. Het EU-Hof heeft in de zaak C-158/14 geantwoord dat de aard van het conflict geen reden kan vormen om de plaatsing van de LLTE op de Europese terrorismelijst onterecht te achten, mede gezien de verschillende doelen van de EU-antiterrorismeregels waarnaar in het strafvonnis is verwezen en de EU-antiterrorismeregels waarop de Europese terrorismelijst is gebaseerd. De eerstgenoemde regels betreffen immers het strafrecht en de laatste genoemde regels betreffen preventieve bestuurlijke maatregelen om terrorisme te voorkomen. Preventie staat dus centraal bij de Europese terrorismelijst.

In een afzonderlijke procedure heeft het EU-Hof naderhand uitspraak gedaan in de zaak C-599/14 P . Deze zaak vormde het hoger beroep van de Raad tegen het oordeel van het EU-Gerecht dat de LLTE ten onrechte op de Europese terrorismelijst was geplaatst. In hoger beroep oordeelde het EU-Hof dat LLTE in mei 2009 een militaire nederlaag had geleden, waardoor kon worden getwijfeld aan het voortbestaan van LLTE en het gevaar van betrokkenheid van LLTE bij terroristische activiteiten (het EU-Hof kwam tot hetzelfde oordeel in de zaak C-458/15). Vanaf mei 2009 kon LLTE daarom niet meer als terroristische organisatie worden aangemerkt.

De Afdeling komt tot het oordeel dat de minister ten onrechte de man op de Nederlandse sanctielijst heeft gezet. In haar oordeel verwijst de Afdeling naar de uitspraken van het EU-Hof in de zaken C-158/14 en C-599/14 P. Het EU-Hof oordeelde in de zaak C-158/14 dat de plaatsing van een persoon op de Europese terrorismelijst een preventieve maatregel is. Uit de zaak C-599/14 P v olgt dat de LLTE na de nederlaag in mei 2009 niet meer als terroristische organisatie kon worden aangemerkt. De plaatsing van de man op de Nederlandse terrorismelijst in 2010 kon dus niet meer worden gezien als een preventieve maatregel ter voorkoming van terrorisme, omdat LLTE sinds 2009 niet meer kon worden aangemerkt als een organisatie van waaruit een gevaar van betrokkenheid bij terroristische activiteiten uitging. De appellant kon om die reden niet op de terrorismelijst worden geplaatst.

Dit zou slechts anders zijn geweest indien vanuit de man – ondanks de nederlaag van LLTE – nog een zodanig gevaar uitging dat hij betrokken zou zijn bij terroristische activiteiten. De Afdeling oordeelt echter dat hiervan geen sprake was.