Openbaarmaking van vertrouwelijke documenten

Contentverzamelaar

Openbaarmaking van vertrouwelijke documenten
EU-instellingen moeten telkens zelf beoordelen of documenten die door een lidstaat vertrouwelijk zijn verstrekt, openbaar kunnen worden gemaakt. De verklaring van een lidstaat dat dwingende redenen van groot openbaar belang de openbaarmaking van die documenten verhindert, ontslaat een EU-instelling niet automatisch van de verplichting een eigen afweging te maken. Dit heeft het Hof van Justitie bepaald.

Zaak C-64/05 P, Zweden tegen Commissie

Aanleiding

Het Hof deed zijn uitspraak in een hoger beroep dat door Zweden was ingesteld tegen een eerdere uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg. In die uitspraak had het Gerecht bepaald dat de Commissie een ongemotiveerd verzoek van een lidstaat om een document niet openbaar te maken altijd moest honoreren zonder een eigen beoordeling te maken. In casu had een Duitse natuur- en dierenbeschermingsorganisatie beroep ingesteld tegen de beslissing van de Commissie om bepaalde documenten niet vrij te geven. Deze documenten waren afkomstig van de Duitse autoriteiten en betroffen de statuswijziging van een beschermd gebied in de zin van de habitatrichtlijn. De Duitse autoriteiten verzetten zich tegen openbaarmaking op grond van dwingende redenen van groot openbaar belang. De Commissie weigerde vervolgens de documenten vrij te geven met een beroep op de Eurowob-verordening. Het Gerecht stelde de Commissie in het gelijk.
Omdat Zweden van mening was dat verordening 1049/2001, de zgn. Eurowob-verordening, op dit punt verkeerd werd uitgelegd door het Gerecht, stelde het hoger beroep in. Nederland intervenieerde aan de zijde van Zweden.

Overwegingen van het Hof

Het Hof is van mening dat de uitspraak van het Gerecht tot gevolg zou hebben dat de auteursregel, die door de Eurowob-verordening was afgeschaft, weer zou worden ingevoerd. De auteursregel hield in dat EU-instellingen verzoeken om openbaarmaking van documenten die van lidstaten of derden afkomstig waren, moesten doorverwijzen naar die lidstaten of die derden.
Een discretionair vetorecht van de lidstaten zou volgens het Hof een belangrijke categorie van documenten die onmisbaar zijn voor het communautaire besluitvormingsproces aan de werking van de Eurowob-verordening onttrekken.

Beslissing

Daarom is het Hof van oordeel dat lidstaten niet beschikken over een algemeen en onvoorwaardelijk vetorecht op grond waarvan zij zich discretionair kunnen verzetten tegen de openbaarmaking van een document dat van hen afkomstig is. De toegang tot dergelijke documenten wordt enkel door de bepalingen van de Eurowob-verordening beheerst, en niet langer door de bepalingen van het nationale openbaarheidsrecht.
Tegelijkertijd heeft het Hof oog voor de belangen van de lidstaten. Het Hof erkent namelijk dat de inachtneming van nationale bepalingen die een openbaar of particulier belang beschermen en zich tegen openbaarmaking verzetten, kan worden beschouwd als een algemeen belang dat bescherming verdient in het kader van een van de uitzonderingen van de Eurowob-verordening.

Procedurele implicaties

Tot slot geeft het Hof nog aanwijzingen over de procedurele aspecten van zijn standpunt. Het gaat daarbij met name in op de “loyale samenspraak” tussen de EU-instelling en de desbetreffende lidstaat.
De lidstaat zal zijn eventuele verzet tegen openbaarmaking moeten motiveren op grond van een van de uitzonderingen van de Eurowob-verordening. Doet de lidstaat dat niet, dan hoeft EU-instelling aan dat verzet geen gevolg te geven. De instelling moet bij de beslissing tot openbaarmaking overigens wel haar eigen afweging maken. Wanneer een lidstaat zich gemotiveerd verzet, en de EU-instelling een verzoek om openbaarmaking moet afwijzen, heeft een belanghebbende tot slot de mogelijkheid om tegen het besluit beroep in te stellen bij de communautaire rechter.