Contentverzamelaar

Overheid kan schadevergoeding eisen wegens subsidieverlening voor te hoge prijzen van kartelproducten
Een overheidsinstantie die stimuleringsleningen heeft verstrekt aan afnemers van kartelproducten, kan vergoeding van de door het kartel veroorzaakte schade vorderen. Dat blijkt uit het antwoord van het EU-Hof op vragen van een Oostenrijkse rechter. Daarin maakt het EU-Hof duidelijk dat ook personen die niet als leverancier of afnemer actief zijn op de door een kartel getroffen markt toch vergoeding van de door dit kartel veroorzaakte schade kunnen vorderen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 12 december 2019 in zaak C-435/18, Otis e.a./Land Oberösterreich e.a.

In zijn arrest heeft het EU-Hof belangrijke verduidelijkingen gegeven over de verhouding tussen de bepalingen van het Unierecht en het nationale recht inzake vorderingen tot vergoeding van door een kartel veroorzaakte schade, door te oordelen dat artikel 101 EU-Werkingsverdrag (VWEU) aldus moet worden uitgelegd dat een overheidsinstantie die stimuleringsleningen heeft verstrekt aan afnemers van kartelproducten, vergoeding van de door het kartel veroorzaakte schade kan vorderen.

In de bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) aanhangige zaak was met name door het Land Oberösterreich (hierna: „verzoeker”) een schadevordering ingesteld tegen vijf ondernemingen die actief zijn op de markt voor de installatie en het onderhoud van liften en roltrappen, waarvan eerder was vastgesteld dat zij deelnamen aan mededingingsverstorende gedragingen in het kader van een kartel. Verzoeker had geen schade geleden als afnemer van de producten waarop het kartel betrekking had. Als gevolg van de door het kartel veroorzaakte verhoging van de bouwkosten had verzoeker echter subsidies in de vorm van stimuleringsleningen ter financiering van door het kartel getroffen bouwprojecten toegekend, waarvan het bedrag hoger was dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, waardoor hij dat verschil niet voor andere, meer lucratieve doeleinden had kunnen gebruiken. Volgens het Oberste Gerichtshof zouden de beginselen die naar nationaal recht gelden voor de vergoeding van zuivere vermogensschade, de vergoeding beperken tot de schade die de geschonden norm beoogde te vermijden, hetgeen de vergoeding van schade die wordt geleden door personen die niet als leverancier of afnemer op de door het kartel beïnvloede markt actief zijn, zou kunnen uitsluiten.

In antwoord op de vraag van het Oberste Gerichtshof over de verenigbaarheid van een dergelijke beperking met artikel 101 VWEU, heeft het EU-Hof allereerst in herinnering gebracht dat artikel 101, lid 1, VWEU rechtstreekse gevolgen teweegbrengt in de betrekkingen tussen particulieren en met name aan eenieder die schade heeft geleden als gevolg van een overeenkomst of gedraging die de mededinging kan beperken of vervalsen, het recht verleent om vergoeding te vorderen wanneer er een causaal verband bestaat tussen de schade en de inbreuk op de mededingingsregels. Voorts heeft het EU-Hof verklaard dat nationale regels inzake de uitoefening van dit recht op vergoeding de doeltreffende toepassing van artikel 101 VWEU onverlet moeten laten.

Het EU-Hof was van oordeel dat de doeltreffende bescherming tegen de nadelige gevolgen van een inbreuk op de mededingingsregels van de Unie aanzienlijk zou worden ondermijnd, als het recht op vergoeding van de door een kartel veroorzaakte schade op voorhand beperkt zou blijven tot leveranciers en afnemers op de door het kartel beïnvloede markt. In de nationale procedure zou de in het nationale recht bedoelde beperking van de vergoedbare schade precies tot gevolg hebben dat de door verzoeker gestelde schade niet kan worden vergoed, aangezien hij niet de hoedanigheid van leverancier of afnemer op de door het kartel beïnvloede markt bezit. Het EU-Hof heeft in dit verband gepreciseerd dat het niet nodig is dat de door de betrokken persoon geleden schade een specifiek verband vertoont met de door artikel 101 VWEU nagestreefde beschermingsdoelstelling, omdat de karteldeelnemers anders niet gehouden zouden zijn om alle schade te vergoeden die zij mogelijkerwijs hebben veroorzaakt.

Volgens het EU-Hof houdt artikel 101 VWEU dus in dat eenieder die niet als leverancier of afnemer actief is op een door een kartel getroffen markt, maar die subsidies heeft verstrekt in de vorm van stimuleringsleningen aan afnemers van op die markt aangeboden producten, vergoeding kan vorderen van de schade die hij heeft geleden doordat het bedrag van deze subsidies hoger was dan zonder dat kartel het geval zou zijn geweest, waardoor hij dit verschil niet voor andere, meer lucratieve doeleinden heeft kunnen gebruiken. Ten slotte heeft het EU-Hof gepreciseerd dat het aan de nationale rechter staat om uit te maken of verzoeker al dan niet beschikte over de mogelijkheid om meer lucratieve investeringen te doen en of verzoeker het bestaan van een causaal verband tussen die schade en het betrokken kartel had aangetoond.