Contentverzamelaar

Palestijnen kunnen alleen bij uitzondering asiel in de EU krijgen
Een Palestijnse met de vluchtelingenstatus van de UNRWA kan geen vluchtelingenstatus in de Unie krijgen zolang zij effectieve bescherming of bijstand van dat VN-orgaan geniet. Dat antwoordt het EU-Hof op vragen van een Bulgaarse rechter. In dit arrest verduidelijkt het EU-Hof de specifieke criteria voor de behandeling van asielverzoeken van Palestijnen. Het EU-Hof bepaalt ook dat een rechter alle feiten en omstandigheden moet meewegen die zich na de aanvankelijke afwijzing van een verzoek om internationale bescherming hebben aangediend. Het Hof geeft verder aanwijzingen voor de inrichting van het nationale beslisproces op verzoeken om bescherming nadat een rechter zich over een afwijzing heeft gebogen.

Het gaat om het arrest van het EU-Hof van 25 juli 2018 in de zaak C-585/16.

Een Palestijnse vrouw die in de Gazastrook woont, verliet dat gebied naar Jordanië, waar zij kort verbleef alvorens naar Bulgarije te reizen en daar een asielverzoek en een verzoek om subsidiaire bescherming in te dienen. Aangezien dit verzoek door de Bulgaarse administratieve autoriteiten is afgewezen, heeft zij beroep aangetekend bij de administratieve rechtbank van Sofia (Bulgarije). Deze rechtbank vraagt het EU-Hof om opheldering over de vraag of en volgens welke criteria zij op grond van het recht van de Unie in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus.

De behandeling van verzoeken om internationale bescherming (asiel en subsidiaire bescherming) die in de lidstaten van de Unie worden ingediend, wordt geregeld in EU-richtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming. In deze richtlijn wordt met name bepaald dat elk in een lidstaat ingediend verzoek om internationale bescherming wordt behandeld door het administratieve of quasi-rechterlijke orgaan dat daartoe door die lidstaat is aangewezen, en dat tegen de door dat orgaan genomen beslissing beroep bij de rechter openstaat.

In zijn arrest verduidelijkt het Hof dat, wanneer bij een rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van het administratieve of semi-rechterlijke orgaan betreffende een asielverzoek of een verzoek om subsidiaire bescherming, deze rechterlijke instantie de zaak volledig moet onderzoeken en daarbij rekening moet houden met alle feiten en het recht die relevant lijken, met inbegrip van de feiten en het recht die nog niet bestonden toen het betrokken orgaan haar beslissing nam.

Het Hof baseert deze uitlegging enerzijds op de in artikel 46, lid 3 van de richtlijn 2013/32/EU vervatte regel dat het gerecht waarbij in eerste aanleg beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van het betrokken orgaan, een "volledig en ex nunc onderzoek" van de zaak moet verrichten, en anderzijds op de doelstelling van de richtlijn om ervoor te zorgen dat asielverzoeken en verzoeken om subsidiaire bescherming zo snel mogelijk worden behandeld. Met het oog op deze doelstelling is het belangrijk dat de rechter het verzoek uitputtend en bijgewerkt naar de laatste gegevens behandelt zonder dat de zaak naar het administratieve of quasi-rechterlijke orgaan hoeft te worden verwezen alvorens een beslissing te nemen.

Het Hof voegt daaraan toe dat elke door de richtlijn gebonden lidstaat zijn nationale recht zodanig moet aanpassen dat, in geval van vernietiging door de rechter van de beslissing van het bestuursorgaan of semi-rechterlijk orgaan en in geval van noodzaak van een nieuwe beslissing van dat orgaan, die nieuwe beslissing op het verzoek om asiel of om subsidiaire bescherming binnen een korte termijn wordt genomen en in overeenstemming is met de beoordeling in het arrest waarbij die beslissing nietig is verklaard.

Wat het asielverzoek en het verzoek om subsidiaire bescherming betreft dat door de Palestijnse vrouw is ingediend, geeft het Hof in het arrest ook de specifieke criteria aan die voortvloeien uit de wetgeving van de Unie met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die door Palestijnen zijn ingediend.

Het Hof herinnert er in dit verband aan dat een Palestijn is ingeschreven bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA). Dit is een orgaan van de Verenigde Naties dat is opgericht om in de Gazastrook, de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Libanon en Syrië, de Palestijnen als "Palestijnse vluchtelingen" te helpen en te beschermen. Deze Palestijn kan geen asiel in de Unie krijgen zolang hij effectieve bescherming of hulp van dit VN-orgaan geniet. Hij kan alleen asiel in de Unie krijgen als hij zich in een ernstige persoonlijke onveilige situatie bevindt, tevergeefs om bijstand van de UNRWA heeft verzocht en door omstandigheden buiten zijn wil gedwongen is geweest het werkgebied van de UNRWA te verlaten.

Wanneer, zoals in dit geval, een bij UNRWA geregistreerde persoon van Palestijnse origine zijn verblijf in de Gazastrook naar Jordanië verlaat en daar kort verblijft alvorens te reizen naar een lidstaat van de Unie waar hij een verzoek om internationale bescherming indient, moeten zowel het administratieve of quasi-rechterlijke orgaan dat door die lidstaat is aangewezen om een dergelijk verzoek te behandelen als het gerecht waarbij beroep is ingesteld tegen de beslissing van dat orgaan, in het bijzonder onderzoeken of die persoon in Jordanië effectieve bescherming of bijstand van UNRWA heeft genoten. Als dat het geval is, kan die persoon geen asiel krijgen in de Unie.

Evenmin kan zij subsidiaire bescherming in de Unie verkrijgen indien haar persoonlijke staat van ernstige onveiligheid op het grondgebied van haar woonplaats (in dit geval de Gazastrook) niet is vastgesteld, of. als dat wel het geval is, indien Jordanië bereid is haar op zijn grondgebied over te nemen en haar het recht te geven daar onder waardige levensomstandigheden te verblijven zolang de risico's in de Gazastrook dit noodzakelijk maken.