Raad van State stelt 'prejudiciële' vragen aan de Europese Commissie.

Contentverzamelaar

Raad van State stelt 'prejudiciële' vragen aan de Europese Commissie.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de staatssecretarissen van Verkeer & Waterstaat en VROM in het ongelijk gesteld in een geding over de landingsbaan van vliegveld Eelde. Volgens de Afdeling had de financiële steun aan dit vliegveld aangemeld moeten worden bij de Europese Commissie. Opvallend in deze zaak is dat de Raad van State de procedure een tijd heeft aangehouden om vragen te stellen aan de Commissie over de uitleg van de Europese staatssteunregels.

Het Rijk had in 2002 besloten € 18,6 miljoen beschikbaar te stellen voor de aanleg van een verlengde start- en landingsbaan op het vliegveld Eelde (Groningen). In het geding, waarin op 11 juni 2008 uitspraak werd gedaan, hadden de verzoekers onder andere aangevoerd dat er sprake was van verboden staatssteun in de zin van artikel 87 EG.

De Afdeling overweegt dat aan alle criteria van artikel 87 EG is voldaan. De staatssecretarissen voeren echter het argument aan dat uit een mededeling van Commissie uit 1994 betreffende staatssteun in de luchtvaartsector mocht worden afgeleid dat deze vorm van staatssteun niet zou worden aangemerkt als staatssteun door de Commissie. Pas in 2005 had de Commissie met nieuwe richtsnoeren dit standpunt verlaten.

Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling voorts vragen gesteld aan de Commissie of de steun inderdaad aangemeld had moeten worden. De Commissie heeft vervolgens deze vraag bevestigend beantwoord. De Commissie heeft namelijk haar standpunt in 2005 gewijzigd naar aanleiding van rechtspraak van het EG-Hof van Justitie uit 2001 (zaak C-82/01, Aéroports de Paris). Hierdoor kon er niet meer door de staatsecretarissen vertrouwd worden op de mededeling uit 1994. De juridische waarde van een mededeling van de Commissie is dus beperkt.

Mededelingen van de Commissie behelzen een visie van de Commissie op de staatssteunregels en daarmee een indicatie van welk beleid er gevoerd gaat worden. De Afdeling vraagt dus eigenlijk naar de uitleg van een uitleg van de artikelen 87 en 88 EG. Het laatste woord over de uitleg van het EG-verdrag is in artikel 220 van het EG-verdrag aan het EG-Hof toevertrouwd.

Het is opvallend dat de Raad van State bij twijfel over de uitleg van het Europese recht te rade is gegaan bij de Commissie en de procedure daarvoor aanhoudt. De Europese Commissie mag hieraan gehoor geven. De Commissie heeft de verplichting om loyaal samen te werken met de rechterlijke autoriteiten in de lidstaten. Dit volgt zo uit de rechtspraak van het EG-Hof (C-2/88, Zwartveld).

Er is binnen vier maanden antwoord gekomen van de Commissie. Dat is aanzienlijk korter dan de gemiddelde duur van een prejudiciële procedure bij het EG-Hof (zo ’n 19 maanden).